Archief 745
Inventaris 745-303
Pagina 269
Dossier 106
Jaar 1939
Stadsarchief

Rapport / Afschrift van een aangifte of klacht.

19 februari 1942.

Origineel

Rapport / Afschrift van een aangifte of klacht. 19 februari 1942. No.92/1/1 M. 1942. A f s c h r i f t .

No. 233. L.M. 1942 19/2.

R A P P O R T .

Wij ondergeteekenden: H.v.d.Wiel en A.v.d.Hengel, Pluimveehandelaren en Grossiers, wonende te Diemen, Sniep 18, hebben de eer U het navolgende te rapporteeren.

Dat de geheele Pluimveehandel steeds in jodenhanden is geweest en nog altijd zoo blijft bestaan en dat de navolgende staaltjes nog maar steeds plaats vinden:
1. Zooals bekend is het joden verboden op de markten te komen, doch zij komen er wel, omdat de Politie, die met het toezicht is belast niet behoorlijk optreedt en ze vaak rustig hun gang laat gaan. Op plaatsen, waar de Politie wel optreedt gaan de joden naar de boeren zelf en koopen daar de kippen op en verdeelen die dan onder elkander. De Christenen zitten er dus naast!
2. De joden krijgen een zeldzaam geworden toewijzing voor benzine en hebben een rijvergunning. De Christenen krijgen geen benzine en grijpen er dus naast!
3. De joden hebben slachtvergunningen, doch mijn zoon b.v. welke in het vak geboren en is grootgebracht, krijgen geen slachtvergunning, wel hebben zij een poelierszaak en zijn dus aan de joden overgeleverd.
Een poelierszaak en geen slachtvergunning hebben:
A.v.d.Hengel, Wittenburgergracht 31, Amsterdam.
J.v.d.Hengel, van Hogendorpstraat 78-80, Amsterdam.
W, de Wit, Sniep 14, Diemen,
4. De joden verkoppen de kippen heden clandestien voor de somma van f 2,60 per pond, terwijl de officieele prijs f 0,80 per pons is. De konijnen en ganzevellen, zoo gek kan het niet gaan, komen nog steeds in jodenhanden.
5. Dat de joden nog steeds geen gebrek hebben aan benzine en zelfs des Zodags gaan rijden; niet allen voor hun eigen zaak, maar ook wel andere zaken vervoeren, als zulks in hun kraam te pas komt. Zij gaan dan ons voorbij langs en komen luidruchtig des Maandags voorbij ons met de kippen, die ze van de boeren gekocht hebben.
De namen van een paar van dezejoden zijn:
Max Levie, Beukenplein 28, telef. 51524
Alex de Levie, Roerstraat 88 beiden te Amsterdam.
Dat deze joden nog benzine overhouden en het overschot van de bonnen reserveeren voor komende maanden.
6. Dat de joden de prijzen van de kippen, ook van de geslachte, welke in het veem zijn opgeslagen, opdrijven om ook deze waar nog in handen te krijgen, dat zij een groote toewijzing genieten, terwijl de Arische Poeliers een klein partijtje krijgen, of zelfs in het geheel niets, zulks moeten overlaten aan de joodsche Poeliers.

Dat aan bovenstaande eindelijk eens een eind moet komen en om tot een goede regeling te komen, doen zij U het volgende voorstel: Dit document is een schoolvoorbeeld van een economische denunciatie (verraad) tijdens de Duitse bezetting van Nederland. Twee pluimveehandelaren uit Diemen beklagen zich bij een (niet nader genoemde) autoriteit, vermoedelijk de Duitse bezetter of een collaboreerend orgaan zoals de prijsbeheersing of de Economische Front-afdeling van de NSB.

De kern van de klacht is dat Joodse handelaren, ondanks de anti-Joodse maatregelen, nog steeds een dominante positie in de pluimveehandel zouden innemen. De schrijvers uiten hun frustratie over het feit dat zijzelf ("Christenen" en "Arische Poeliers") geen benzine of slachtvergunningen krijgen, terwijl hun Joodse concurrenten deze naar eigen zeggen wel bezitten of de regels omzeilen.

De toon is rancuneus en maakt gebruik van antisemitische retoriek ("jodenhanden", "luidruchtig", "clandestien"). De auteurs noemen expliciet namen en adressen van Joodse burgers (Max en Alex de Levie), wat in de context van 1942 levensgevaarlijk was. Het document illustreert hoe de bezettingsomstandigheden en de schaarste aan goederen (zoals benzine en voedsel) werden gebruikt om persoonlijke en zakelijke rekeningen te vereffenen door middel van antisemitisme. In februari 1942, de datum van dit rapport, was de uitsluiting van Joden uit het openbare en economische leven in Nederland al vergevorderd. De "Arisering" van bedrijven was in volle gang: Joodse eigenaren werden gedwongen hun zaken te verkopen of onder beheer van een Treuhänder te stellen.

De tekst verwijst naar specifieke beperkingen: het verbod voor Joden om op markten te komen en de strenge rantsoenering van benzine en grondstoffen. Dat de auteurs klagen over het "gebrekkige optreden" van de politie, suggereert een oproep aan de bezetter om nog harder in te grijpen. Dergelijke documenten vormden vaak de aanleiding voor invallen, arrestaties en de uiteindelijke deportatie van de genoemde personen. Het gebruik van de termen "Christenen" tegenover "Joden" was een gangbare wijze waarop niet-Joodse Nederlanders die collaboreerden of profiteerden van de bezetting zichzelf definieerden in juridische of economische verzoekschriften.

Samenvatting

Dit document is een schoolvoorbeeld van een economische denunciatie (verraad) tijdens de Duitse bezetting van Nederland. Twee pluimveehandelaren uit Diemen beklagen zich bij een (niet nader genoemde) autoriteit, vermoedelijk de Duitse bezetter of een collaboreerend orgaan zoals de prijsbeheersing of de Economische Front-afdeling van de NSB.

De kern van de klacht is dat Joodse handelaren, ondanks de anti-Joodse maatregelen, nog steeds een dominante positie in de pluimveehandel zouden innemen. De schrijvers uiten hun frustratie over het feit dat zijzelf ("Christenen" en "Arische Poeliers") geen benzine of slachtvergunningen krijgen, terwijl hun Joodse concurrenten deze naar eigen zeggen wel bezitten of de regels omzeilen.

De toon is rancuneus en maakt gebruik van antisemitische retoriek ("jodenhanden", "luidruchtig", "clandestien"). De auteurs noemen expliciet namen en adressen van Joodse burgers (Max en Alex de Levie), wat in de context van 1942 levensgevaarlijk was. Het document illustreert hoe de bezettingsomstandigheden en de schaarste aan goederen (zoals benzine en voedsel) werden gebruikt om persoonlijke en zakelijke rekeningen te vereffenen door middel van antisemitisme.

Historische Context

In februari 1942, de datum van dit rapport, was de uitsluiting van Joden uit het openbare en economische leven in Nederland al vergevorderd. De "Arisering" van bedrijven was in volle gang: Joodse eigenaren werden gedwongen hun zaken te verkopen of onder beheer van een Treuhänder te stellen.

De tekst verwijst naar specifieke beperkingen: het verbod voor Joden om op markten te komen en de strenge rantsoenering van benzine en grondstoffen. Dat de auteurs klagen over het "gebrekkige optreden" van de politie, suggereert een oproep aan de bezetter om nog harder in te grijpen. Dergelijke documenten vormden vaak de aanleiding voor invallen, arrestaties en de uiteindelijke deportatie van de genoemde personen. Het gebruik van de termen "Christenen" tegenover "Joden" was een gangbare wijze waarop niet-Joodse Nederlanders die collaboreerden of profiteerden van de bezetting zichzelf definieerden in juridische of economische verzoekschriften.

Locaties

Diemen (Sniep 18) en Amsterdam.

Kooplieden in dit dossier 42

A. Melhado Waterlooplein
A. Velleman Waterlooplein
B.Soester Waterlooplein
D.Nebbering Waterlooplein
Gebr.Jonk
Gebr.Verhoef
G. v. Gelder Waterlooplein
H. Couzyn Waterlooplein
H.G.Oudkerk
H.Stephanus Waterlooplein
N. de Roeverstr Waterlooplein
Jb.Reyndorp Waterlooplein
J.F.Toethuis
J. Rine Waterlooplein
J. Rol Waterlooplein
J. Schut Waterlooplein
J.W.Reese Waterlooplein
D. v. d. Molen Waterlooplein
M. Levie Waterlooplein
M.P.Krachtwyk
Alle 42 kooplieden →