Getypte ambtelijke brief/advies.
Origineel
Getypte ambtelijke brief/advies. 18 februari 1939. De Directeur (vermoedelijk van de Dienst van het Marktwezen of de Veterinaire Dienst). (Opmerking: De spelling en interpunctie uit het origineel zijn aangehouden, inclusief de verouderde "y" voor "ij" en de gespreide typering van "A l h i e r".)
extra [handgeschreven]
VP/G.
92/1/2 M
1
18 Februari 1939.
Verzoek Sophia-Vereeniging
inzake slachten van pluimvee
en konynen.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
Onder terugzending van het met Uw kantbrief d.d. 17 Januari jl. om advies ontvangen stuk No. 95 L.M.1939 heb ik de eer U te berichten, dat bij Besluit van Burgemeester en Wethouders d.d. 6 December 1935 (No. 1305 L.M./1048 V.H. 1935) aangevuld bij Besluit d.d. 14 Februari 1936 een commissie is samengesteld uit hoofden van verschillende diensten, ten-einde te overleggen, of de hinder, die van pluimvee-slach-teryen wordt ondervonden, kan worden beperkt.
Zoolang dit overleg nog geen resultaten heeft opgeleverd, lykt het my onnoodig, min of meer incidenteel een bepaalde slachthandeling, namelyk het van de huid ontdoen van konynen op de markten, te verbieden. Het schynt, dat wilde konynen zoo lang mogelyk in de huid moeten worden bewaard, daar anders het vleesch er al spoedig zeer onooglyk gaat uitzien; verbiedt men dit van de huid ontdoen dus, dan maakt men den verkoop der bedoelde konynen op de markten onmogelyk, waartoe myns inziens vooralsnog geen aanleiding bestaat. Dit zelfde geldt ten aanzien van het in stukken hakken van konynen en gevogelte, hetgeen op de markten evenals elders geschiedt. Het betreft hier uiteraard steeds doode dieren; terwyl het dooden ("slachten") van visch en deze daarna van de huid ontdoen en in stukken snyden op de markten - en elders - ongehinderd zou kunnen voortgaan.
Ik heb mitsdien de eer U te adviseeren ten deze op de markten geen voorschriften te stellen.
De Directeur, In deze brief adviseert de directeur aan de Wethouder voor de Levensmiddelen om voorlopig niet in te grijpen in de wijze waarop konijnen en gevogelte op de markt worden verwerkt. De aanleiding is een verzoek van de Sophia-Vereeniging (de oudste vereniging voor dierenbescherming in Nederland), die waarschijnlijk bezwaar maakte tegen de "onsmakelijke" of dieronvriendelijke aanblik van het slachten en villen op openbare markten.
De directeur voert drie argumenten aan om niet tot een verbod over te gaan:
1. Procedureel: Er loopt al een commissie (sinds 1935) die kijkt naar de hinder van pluimveeslachterijen. Men wil hierop niet vooruitlopen met incidentele maatregelen.
2. Economisch/Consumentgericht: Wilde konijnen moeten in de huid blijven om het vlees vers en toonbaar te houden. Als het ter plekke villen wordt verboden, stopt de verkoop, omdat klanten geen ongevild konijn willen meenemen.
3. Consistentie: Men vindt het inconsequent om konijnen aan te pakken terwijl het slachten en fileren van vis op de markt wel gewoon is toegestaan.
De toon is formeel en ambtelijk-zakelijk, waarbij het belang van de handel zwaarder weegt dan de ethische bezwaren van de Sophia-Vereeniging. Het document dateert van vlak voor de Tweede Wereldoorlog (februari 1939). In deze periode was de Sophia-Vereeniging zeer actief in het agenderen van misstanden op markten en bij transport van vee. De brief geeft een inkijkje in de toenmalige marktcarnaval-cultuur, waarbij dieren vaak nog ter plekke werden gedood of verwerkt ten overstaan van het publiek.
De afkortingen "L.M." en "V.H." in de besluitnummers staan zeer waarschijnlijk voor Levensmiddelen en Volksgezondheid, de twee gemeentelijke kolommen die over deze materie gingen. De brief toont de spanning aan tussen de opkomende idealen van dierenwelzijn en hygiëne versus de traditionele markthandel.