Getypte rapportage of memorandum (pagina 2).
Origineel
Getypte rapportage of memorandum (pagina 2). Na 1938 (verwijst naar cijfers uit 1938). - 2 -
aantal ongeveer 1200 (ruim ƒ 16.000 per week). In 1938 werd ruim
5000 keer handelsgeld verstrekt tot een totaal-bedrag van ƒ 87.000,
terwijl dat jaar gedurende ongeveer 35 weken bijsteun werd ver-
leend aan gemiddeld 249 venters tot een totaal-bedrag van ƒ 52.650.
Ook als Wethouder voor de Levensmiddelen de moeilijkheden van
het ventersvraagstuk kennende, is bij mij de vraag gerezen, of het
Gemeentelijk Bureau voor Maatschappelijken Steun voor het vaststel-
len van zijn adviezen ter zake aan de Commissie voor de bijzondere
gevallen wel over voldoende feitelijke gegevens beschikt. Te veel
moet naar mijn oordeel worden afgegaan op subjectieve opvattingen
bij de desbetreffende ambtenaren, op te weinig concrete gegevens
betreffende de algemeene positie van den markt- en straathandel.
Naar mijn meening dient b.v. meer dan tot nu toe en ten volle profijt
te worden getrokken van hetgeen bij het Marktwezen bekend is om-
trent aanvoeren, prijzen en afzetmogelijkheden van goederen op de
Centrale Markt, de Vischmarkt, de dagmarkten, op vaste standplaat-
sen, het venten in de stad, enz. Verder zullen m.i. de organisaties
van venters, enz. nauwer dan tot nu toe bij het vaststellen der
adviezen ingeschakeld dienen te worden. Dit alles, om mogelijk te
maken, dat het verleenen van geldelijke hulp aan straatkooplieden
meer dan tot nu toe wordt gebonden aan algemeene regelen van zake-
lijkheid, waarbij soepelheid kan worden betracht voor wat betreft
individueele gevallen.
De beoordeeling, of tot het opnemen in volledige ondersteuning
dient te worden overgegaan;
de vraag, of en wanneer en voor hoe langen tijd bepaalde groe-
pen van venters in den bijsteun moeten worden opgenomen; In deze passage uit een ambtelijk document uit de late jaren '30 uit de Wethouder voor de Levensmiddelen zijn zorgen over de objectiviteit van het armoedebeleid. Hij stelt vast dat er in 1938 aanzienlijke bedragen zijn uitgekeerd aan 'handelsgeld' en 'bijsteun' voor venters (straathandelaren).
De kern van zijn betoog is dat het Gemeentelijk Bureau voor Maatschappelijken Steun te veel vaart op de "subjectieve opvattingen" van individuele ambtenaren. Hij pleit voor een meer datagestuurde aanpak door gebruik te maken van marktinformatie (prijzen, aanvoer, afzet) van de Centrale Markt en de Vischmarkt, en door nauwer samen te werken met belangenorganisaties van de venters zelf. Het doel is een zakelijker beleid waarbij algemene regels gelden, maar er nog wel ruimte blijft voor maatwerk in individuele gevallen. Dit document stamt uit een periode van economische instabiliteit, vlak na de Grote Depressie en kort voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Straathandel was voor veel Amsterdammers (waarschijnlijk de locatie gezien de genoemde markten) een laatste redmiddel om uit de werkloosheid te blijven. Het document illustreert de verschuiving in de vroege verzorgingsstaat naar een meer bureaucratische, op feiten gebaseerde controle van sociale voorzieningen. Het gebruik van de 'f' of 'ƒ' verwijst naar de Nederlandse Gulden. De archaïsche spelling (zoals 'vischmarkt' en 'individueele') is kenmerkend voor de officiële taal van die tijd.