Handgeschreven ambtelijke notitie / rapportage.
Origineel
Handgeschreven ambtelijke notitie / rapportage. 17 oktober 1940 (gebaseerd op kantlijnnotitie). [Noot: tekst tussen vierkante haken en doorgestreept [... text] duidt op doorhalingen in het origineel. Invoegingen boven de regel zijn tussen ^...^ geplaatst.]
Amsterdam bedroeg [~~de laatste jaren~~] ± 1750 ton per week.
Blijkens een op 4 deser door de Nederlandsche Akkerbouw-Centrale aan het Gemeentebestuur gerichte brief (No. 863 Aug 1940) heeft deze Centrale aan de organisatie van groothandelaren (plaatselijke afdeeling van de VBNA) opgedragen ervoor te zorgen, dat hier ter stede ^steeds^ voor 2 weken voorraad, d.w.z. 4800 ton aardappels aanwezig is. De Centrale rekent derhalve met een belangrijke stijging van het aardappelverbruik, aangezien tot nu toe voor 2 weken voorraad met ^zeker^ 3500 à 4000 ton kon worden volstaan. Volgens verklaring van den secretaris van de bovengenoemde organisatie [~~te dier zake~~] gedaan, is ^een^ voorraad ^van 4800 ton^ momenteel in Amsterdam inderdaad – en wel ruimschoots – aanwezig.
[~~nog~~] Voorts deelde deze secretaris [~~mede~~] ^medede^, dat de Akkerbouw-Centrale [~~bovendien~~] opdracht heeft [~~gegeven~~] ^gegeven^ tot het aanleggen van een speciale wintervoorraad van aardappelen, voldoende voor het verbruik van ± 6 weken. Met het aanleggen van dezen voorraad zal binnenkort door de ^organisatie van de^ groothandelaren aanvang worden gemaakt.
Tenslotte breng ik in herinnering dat de Nederlandsche Akkerbouw-Centrale op 27 Sept j.l (onder No. 863 / Aug 1940) aan het Gemeentebestuur heeft bericht, dat voor een tekort aan consumptie-aardappelen geen vrees behoeft te bestaan en dat de huidige aardappel-positie van ons land zoodanig is, dat de aanwezige voorraad, mits goed beheerd, ruim voldoende kan worden geacht voor de...
[Kantlijn links:]
behoefte van ons volk.
17-10-40 [Paraaf] Het document is een interne ambtelijke rapportage over de voedselvoorziening in Amsterdam, specifiek gericht op aardappelen. De kern van het schrijven is de constatering dat de wekelijkse consumptie naar verwachting fors zal stijgen (van 1750 ton naar circa 2400 ton per week). De overheid (via de Akkerbouw-Centrale) dwingt de groothandel af om grotere ijzeren voorraden aan te houden dan voorheen gebruikelijk was.
Opvallend is de rekenmethode: waar voorheen 3500-4000 ton volstond voor twee weken, wordt nu 4800 ton als norm gesteld. Dit wijst op een anticiperende houding ten aanzien van schaarste aan andere voedingsmiddelen, waardoor de bevolking meer op aardappelen aangewezen zou raken. De toon van het document is geruststellend; er wordt expliciet vermeld dat er "geen vrees" behoeft te bestaan voor tekorten, mits het beheer adequaat blijft. Dit document stamt uit oktober 1940, slechts vijf maanden na de Duitse inval in Nederland. De bezetter en de Nederlandse bureaucratie waren in deze fase volop bezig met het inrichten van de distributie en de 'voedselvoorziening in oorlogstijd'.
De Nederlandsche Akkerbouw-Centrale (NAC) was een crisisorgaan dat verregaande bevoegdheden had over de productie en distributie van landbouwproducten. Aardappelen waren van cruciaal strategisch belang omdat ze het hoofdbestanddeel vormden van het Nederlandse dieet. Terwijl veel producten al snel op de bon gingen of schaars werden, probeerde men de aardappelvoorraad zo lang mogelijk stabiel te houden om sociale onrust te voorkomen. De notitie laat zien hoe de overheid de private sector (de groothandel/VBNA) strak aanstuurde om strategische reserves ("wintervoorraad") aan te leggen. De datum 17-10-40 plaatst dit document in de periode vlak voordat de eerste echte oorlogswinter zou invallen.