Officiële brief/rapportage.
Origineel
Officiële brief/rapportage. 21 september 1940. VP/HG.
2B/126/2 M.
VERTROUWELIJK
Ontv (handgeschreven)
21 September 1940.
den Heer Secretaris van de Commissie van Advies, bedoeld in het Crisis-Organisatiebesluit 1933,
Lange Voorhout 1 en 3,
's-Gravenhage.
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 12 dezer (No. T 131/Msk/dH) heb ik de eer U te berichten, dat dezerzijds een onderzoek is ingesteld naar de vraag of Mej. C.v.d. Mee-Bohlen, Oude Kennissteeg 3 I Amsterdam, met den kleinhandel in tuinbouwgewassen voldoende op de hoogte is te achten. Bij dit onderzoek is het navolgende gebleken:
Blijkens rapporten van den Dienst voor Maatschappelijken Steun alhier is voornoemde persoon tot 1928 woonachtig geweest te 's-Gravenhage. Sedert 1938 woont zij te Amsterdam. Zoowel zij als haar man staan bekend als venters met speldjes, speelgoed en aanverwante artikelen. Door een contrôleur van Maatschappelijken Steun zouden zij ook wel zijn aangetroffen als liedjeszangers op den openbaren weg. Voornoemde vrouw is in het bezit van een ventvergunning der gemeente Amsterdam, die gedurende de periode van 1 September tot 11 October 1934 als artikel aanwees: groenten en fruit. Vanaf 11 October 1934 tot 9 September 1940 vermeldde de bedoelde vergunning als artikel: speldjes, speelgoed en dergelijke. Aangezien zij van het Bestuur der Nederlandsche Groenten- en Fruitcentrale voorloopige toestemming heeft verkregen om met groenten en fruit te handelen, is haar van gemeentewege op 9 September jl. toegestaan om tot uiterlijk 9 December a.s. wederom met groenten en fruit te venten.
Blijkens een door appellante ten Raadhuize ingediende Deze brief is een ambtelijk antwoord op een informatieverzoek over de bekwaamheid en achtergrond van een zekere Mejuffrouw C.v.d. Mee-Bohlen uit Amsterdam. De centrale vraag is of zij voldoende kennis heeft om een kleinhandel in groenten en fruit te drijven.
De brief schetst een beeld van een echtpaar dat in armoede leeft of tot de 'kleine luyden' behoort:
* Beroepsverleden: Ze worden beschreven als "venters" (straatverkopers) van kleingoed zoals speldjes en speelgoed. De vermelding dat ze door een controleur zijn gezien als "liedjeszangers op den openbaren weg" suggereert dat ze soms moesten bedelen of via straatoptredens aan geld probeerden te komen.
* Toezicht: Er is sprake van rapporten van de "Dienst voor Maatschappelijken Steun" (de toenmalige sociale dienst), wat duidt op een afhankelijkheid van staatssteun of in ieder geval scherp toezicht door de autoriteiten.
* Regulering: De brief detailleert de wijzigingen in haar ventvergunning over een periode van zes jaar. Er is een tijdelijke verschuiving zichtbaar van het verkopen van non-food naar groenten en fruit, waarvoor zij een tijdelijke ontheffing heeft gekregen.
De toon is formeel en afstandelijk, kenmerkend voor de bureaucratische controle op burgers die destijds gebruikelijk was, zeker wanneer het ging om mensen die steun ontvingen of in de marge van de economie werkten. De datum, 21 september 1940, plaatst dit document in de vroege maanden van de Duitse bezetting van Nederland. Hoewel de bezetting al een feit was, draaide het Nederlandse ambtenarenapparaat nog grotendeels door volgens bestaande structuren.
- Crisis-Organisatiebesluit 1933: Dit was een wet uit de tijd van de Grote Depressie. Het gaf de overheid verregaande bevoegdheden om de economie te reguleren, prijzen te controleren en de distributie van goederen te beheren om de economische crisis het hoofd te bieden. Tijdens de bezetting bleven deze crisisorganen belangrijk voor de distributie en rantsoenering.
- Nederlandsche Groenten- en Fruitcentrale (NGF): Dit was een semi-overheidsorgaan dat toezicht hield op de productie en handel van tuinbouwproducten. In oorlogstijd was toestemming van dergelijke instanties cruciaal om te mogen handelen, aangezien schaarste en distributie strak werden beheerd.
- Maatschappelijke Steun: In een tijd van economische malaise en het begin van de oorlog was het toezicht op mensen in de bijstand ("de steun") zeer streng. Ambtenaren controleerden nauwgezet of mensen niet stiekem bijverdienden, bijvoorbeeld door te zingen op straat of zwart te handelen.
Dit document is een voorbeeld van hoe de overheid tot in detail het leven en de broodwinning van burgers registreerde en controleerde, een controle die onder de bezetting alleen maar verder zou worden aangescherpt.