Getypte ambtelijke brief (doorslag).
Origineel
Getypte ambtelijke brief (doorslag). 21 augustus 1940. De Directeur van het Marktwezen (vermoedelijk Amsterdam, gezien de referentie naar de Centrale Markt). [Rechtsboven handgeschreven aantekening, mogelijk paraaf:] M. Brienza [?]
vP/HG.
7/15/2 M.
n 2
21 Augustus 1940.
Verkoopen van materiaal,
installaties enz., waarvoor
geen emplooi meer te ver-
wachten is.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
Onder terugzending van de met Uw kantbrief d.d. 5 dezer om advies ontvangen stukken no. 725 L.M. 1940 heb ik de eer U te berichten, dat ik mij vereenig met het zich onder deze stukken bevindende advies van den Bedrijfseconomischen Adviseur d.d. 30 Juli jl. (No. 1063 Fin. 1940 Dossier 25.9). Omtrent de beide paternosterliften in de hal op de Centrale Markt adviseerde ik U op 24 December 1937 (No. 62/19/2 M.). Ik voeg daaraan nog toe, dat bij eventueele beoordeeling van de vraag, of verplaatsing dezer liften naar elders voor de Gemeente voordeelig is, mijns inziens ook rekening moet worden gehouden met de kosten van afsluiting der liftkokers in de hal.
Omtrent de ijsfabriek in het Koelhuis op de Centrale Markt rapporteerde ik op 12 Februari 1938 (onder No. 63/8/2 M.). Voor de goede orde voeg ik hieraan toe, dat de ijsfabriek vitale onderdeelen mist, zooals een compressor en condensor-installatie; zij is namelijk een aanhangsel van de koelinstallatie. Indien de mogelijkheid bestaat haar voordeelig van de hand te doen, is daartegen dezerzijds in beginsel geen bezwaar.
Voor het overige beschikt het Marktwezen vrijwel niet over materialen, enz., waarvan vaststaat, dat zij niet voor eigen dienst noodig zijn; wel is er eenig oud materiaal, dat over is gebleven van vroegere wijzigingen van installaties of dat door slijtage is vervangen. Dit materiaal bestaat uit spanrollen, roosterbaren, en dergelijke. Het is hoofdzakelijk smeed- en gietijzer, benevens eenig materiaal, dat gediend heeft bij den bouw van de hal op de Centrale Markt.
De Directeur, Deze brief betreft een ambtelijke afhandeling van de inventarisatie van overtollige goederen binnen het gemeentelijk Marktwezen. De directeur adviseert de wethouder over de mogelijke verkoop van installaties die niet meer rendabel of functioneel zijn.
Drie zaken springen in het oog:
1. De Paternosterliften: Er wordt verwezen naar adviezen uit 1937. Men overweegt verplaatsing of verkoop, maar waarschuwt voor de kosten van het bouwkundig dichtmaken van de liftschachten.
2. De Ijsfabriek: Deze is incompleet (mist compressor en condensor) en wordt als overtollig beschouwd. De directeur ziet geen bezwaar in verkoop, mits dit financieel voordelig is.
3. Restmaterialen: Er is sprake van een kleine voorraad oud ijzer (smeed- en gietijzer), voortgekomen uit onderhoud en de oorspronkelijke bouw van de markthal.
De toon is zakelijk en volgt de strikte hiërarchische vormen van de vroege 20e-eeuwse bureaucreatie ("heb ik de eer U te berichten", "mijns inziens"). De datum van het document, 21 augustus 1940, is historisch saillant. Nederland was op dat moment enkele maanden bezet door nazi-Duitsland. Hoewel de brief op het eerste gezicht een routineuze administratieve handeling lijkt, moet deze gezien worden in het licht van de beginnende schaarste aan materialen.
De "Centrale Markt" verwijst naar de Centrale Markthallen in Amsterdam (aan de Jan van Galenstraat), die een cruciale rol speelden in de voedselvoorziening van de stad. De "Wethouder voor de Levensmiddelen" was in oorlogstijd een van de belangrijkste posities binnen het college, verantwoordelijk voor de distributie en beschikbaarheid van voedsel.
Het inventariseren van oud ijzer en ongebruikte machines was in deze periode vaak een voorbode van de vordering van metalen voor de oorlogsindustrie of een poging van de gemeente om door verkoop van overtollige activa de kas te spekken in economisch onzekere tijden.