Ambtsbrief / Financieel maandrapport.
Origineel
Ambtsbrief / Financieel maandrapport. 11 oktober 1940 (betreft de verslagperiode september 1940). De Directeur van de Dienst van het Marktwezen (waarschijnlijk Amsterdam, gezien de terminologie). [Links- en rechtsboven handgeschreven aantekeningen en parafen, o.a. "11/10/'40"]
Maandelijksch overzicht
over September 1940
van ontvangsten en uitgaven
dienst Marktwezen.
den Heer Wethouder
van de Levensmiddelen
Alhier.
Gevolggevend aan de opdracht vervat in de circulaire van Uw Ambtgenoot voor de Financiën d.d. 20 Juli 1939 (no 909/203 Fin 1939), heb ik de eer U in bijlage dezes een overzicht over de maand September 1940 te doen toekomen.
De ramingen op de verschillende nummers van de begrooting van uitgaven van den dienst van het Marktwezen voor het dienstjaar 1940 zullen, naar ik verwacht, voldoende zijn.
Ten aanzien van wegnr 57 (markt-, standplaats- en ventgelden) van de begrooting van ontvangsten van dezen dienst voor genoemd dienstjaar meen ik als mijn verwachting te moeten uitspreken, dat, in verband met de buitengewone tijdsomstandigheden, een opbrengst te verwachten is welke met ongeveer f 10.000,- beneden het geraamde bedrag ad f 166.000,- zal blijven.
De Directeur,
[Paraaf]
10/10 '40. In deze brief rapporteert de directeur van de Dienst van het Marktwezen aan de wethouder over de financiële situatie van zijn dienst. De kern van de rapportage is tweeledig:
1. Uitgaven: De directeur verwacht dat de uitgaven binnen de gestelde begroting voor het jaar 1940 zullen blijven.
2. Inkomsten: Er wordt een tekort voorzien bij de ontvangsten. Specifiek bij "post 57", die de inkomsten uit markt-, standplaats- en ventgelden beslaat, verwacht men een tekort van 10.000 gulden ten opzichte van de begrote 166.000 gulden.
De directeur wijst de "buitengewone tijdsomstandigheden" aan als directe oorzaak voor deze lagere inkomsten. Het taalgebruik is formeel en volgt de ambtelijke conventies van die tijd. De brief is geschreven in oktober 1940, slechts vijf maanden na de Nederlandse capitulatie en het begin van de Duitse bezetting. De term "buitengewone tijdsomstandigheden" is een veelgebruikt eufemisme in die periode om te verwijzen naar de gevolgen van de oorlog en de bezetting zonder deze expliciet te benoemen.
De lagere inkomsten uit markten en straathandel (ventgelden) zijn direct te verklaren door de ontwrichting van de handel:
* Schaarste: Door de oorlog was de aanvoer van goederen beperkt.
* Distributie: Het systeem van bonkaarten was reeds in 1939 ingevoerd en werd onder de bezetting strenger, wat de vrije handel op markten bemoeilijkte.
* Beperkingen: De bezetter voerde diverse beperkingen in op bewegingsvrijheid en economische activiteiten.
Dit document biedt een blik op hoe de gemeentelijke bureaucratie in de eerste maanden van de bezetting simpelweg probeerde door te functioneren, terwijl de economische realiteit van de oorlog al direct zichtbaar werd in de begrotingscijfers.