Archiefdocument
Origineel
Ad art. 27. Het kapitaal is verstrekt uit de volgende leningen:
| Aanwijzing der lening | Rente-voet | Oorspronkelijk bedrag | Bedrag op 1 Januari 1948 | Aflossing in 1948: Datum | Aflossing in 1948: Bedrag | Te betalen rente over 1948: Omschrijving | Te betalen rente over 1948: Bedrag |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 1937I Obligatielening . . . | 3½% | $f$ 2.312.500 — | $f$ 1.625.000 — | 1 Aug. | $f$ 62.500 — | 7 mnd. v. $f$ 1.625.000.— 5 ,, ,, ,, 1.562.500.— |
$f$ 33.177 08 ,, 22.786 46 |
| 1938 1e lening Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds | 3½ ,, | ,, 1.401.375 — | ,, 1.060.500 — | 1 Jan. | ,, 37.875 — | 12 ,, ,, ,, 1.022.625.— | ,, 35.791 88 |
| 1938 2e lening idem . . . | 3½ ,, | ,, 1.439.250 — | ,, 1.060.500 — | 1 Juli | ,, 37.875 — | { 6 ,, ,, ,, 1.060.500.— { 6 ,, ,, ,, 1.022.625.— |
,, 18.558 75 ,, 17.895 94 |
| 1938 lening Rijkspostspaarbank. . . . . . . . | 3½ ,, | ,, 397.878 79 | ,, 295.858 59 | 1 Mei | ,, 10.202 02 | { 4 ,, ,, ,, 295.858,59 { 8 ,, ,, ,, 285.656,57 |
,, 3.451 68 ,, 6.665 32 |
| 1943 onderhandse lening. . | 3½ ,, | ,, 73.082 04 | ,, 63.347 52 | 1 Juli | ,, 2.433 63 | { 6 ,, ,, ,, 63.347,52 { 6 ,, ,, ,, 60.913,89 |
,, 1.108 58 ,, 1.065 99 |
| Kapitaalvoorschot van de Gemeente . . . . . . . . . | 3½ ,, | ,, — | ,, 1.217.286 76 | ,, — | 12 ,, ,, ,, 1.217.286,76 | ,, 42.605 04 | |
| $f$ 5.624.085 83 | $f$ 5.322.492 87 | $f$ 150.885 65 | $f$ 183.106 72 |
Rondingen onderaan:
rond $f$ 150.890.—
rond $f$ 183.100.—
Marge rechtsboven: Bijlage XXIII
Marge rechtsonder: 8 * Doel: Het document dient als een gedetailleerd overzicht van de schuldenlast en de bijbehorende lasten (rente en aflossing) voor het jaar 1948.
* Structuur: De tabel splitst de leningen uit naar herkomst, rentevoet (consequent 3,5% voor alle posten), hoofdsom en de mutaties gedurende het jaar.
* Renteberekening: De kolom "Te betalen rente" toont een nauwkeurige pro-rata berekening. Wanneer er gedurende het jaar wordt afgelost, wordt de rente gesplitst over de periodes voor en na de aflosdatum (bijv. 7 maanden over het oude bedrag en 5 maanden over het nieuwe bedrag bij de 1937I lening).
* Leninggevers: Er is sprake van diverse institutionele beleggers: een obligatielening (markt), het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP), de Rijkspostspaarbank, een onderhandse lening en een voorschot van een gemeente.
* Financiële omvang: De totale schuld aan het begin van 1948 bedroeg ruim 5,3 miljoen gulden. In dat jaar werd ongeveer 150.000 gulden afgelost en 183.000 gulden aan rente betaald. Dit document stamt uit de periode van de wederopbouw in Nederland na de Tweede Wereldoorlog. In 1948 was de financiële administratie van overheden en gelieerde instellingen zeer strikt, mede door de noodzaak om grote schulden uit de oorlogsjaren en vooroorlogse periode (zoals de leningen uit 1937 en 1938) te beheren.
De rentevoet van 3,5% was in die tijd een gangbaar tarief voor stabiele, langlopende overheidsschulden. De betrokkenheid van het ABP en de Rijkspostspaarbank is kenmerkend voor het Nederlandse financiële bestel, waarbij pensioengelden en spaartegoeden van burgers via staatsinstellingen werden aangewend voor de financiering van publieke werken en gemeentelijke taken. De nauwkeurigheid van de berekeningen tot op de cent nauw, gevolgd door een afronding voor de uiteindelijke begrotingsposten, getuigt van de toenmalige boekhoudkundige traditie. Publieke Werken