Archiefdocument
Origineel
12 Januari 1940 De Directeur (vermoedelijk van een Amsterdamse gemeentelijke instelling, gelet op de context van 'brandstoffenmarktgeld'). [Rechtsboven handgeschreven:]
ter. Mr. de Haas
ter. Hr. Müller
[Midden boven getypt:]
VP/DV. extra [handgeschreven]
[Links getypt:]
21/1/2 M.
[Rechts getypt:]
12 Januari 1940
den Heer B. Roof,
Brouwersgracht 97,
Amsterdam-C.
Wijk 9.
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 9 dezer bericht ik U, dat mijnerzijds geen bezwaar bestaat U toe te staan het door U voor het kalenderjaar 1940 verschuldigde brandstoffenmarktgeld ten bedrage van ƒ 367,- te voldoen in 12 maandelijksche termijnen, waarvan 11 termijnen ƒ 31,- en 1 termijn (de laatste) ƒ 26,- dienen te bedragen. De eerste termijn gelieve U thans per omgaande te voldoen en vervolgens telkens een termijn op den eersten van elke volgende maand.
De Directeur, Dit document is een officiële reactie op een verzoek van de heer B. Roof om een betalingsregeling. De heer Roof moet voor het jaar 1940 een bedrag van 367 gulden aan "brandstoffenmarktgeld" betalen. De directeur gaat akkoord met een spreiding van deze betaling over twaalf maanden.
De specifieke verdeling is 11 termijnen van 31 gulden en een slottermijn van 26 gulden. Er wordt direct actie verwacht: de eerste termijn moet "per omgaande" (direct na ontvangst van de brief) worden voldaan, en de daaropvolgende termijnen steeds op de eerste van de maand. De handgeschreven namen bovenin (Mr. de Haas en Hr. Müller) wijzen op interne routering binnen de betreffende instantie. De brief dateert van 12 januari 1940, een periode van grote onzekerheid in Nederland. Hoewel de Tweede Wereldoorlog al was uitgebroken in september 1939, was Nederland op dit moment nog neutraal en niet bezet (de Duitse inval volgde in mei 1940). De administratie van de stad Amsterdam draaide op dat moment nog op de gebruikelijke wijze.
"Brandstoffenmarktgeld" was een vorm van belasting of staangeld die werd geheven op handelaren in brandstoffen (zoals kolen, hout of turf) die hun waar op de markt of via gemeentelijke faciliteiten verkochten. Gezien het adres aan de Brouwersgracht, een locatie waar historisch veel handel en opslag plaatsvond via het water, is het aannemelijk dat de heer Roof een professionele handelaar was. Het bedrag van 367 gulden was voor die tijd aanzienlijk (ter vergelijking: een gemiddeld arbeidersloon lag rond de 25-30 gulden per week), wat verklaart waarom een betalingsregeling noodzakelijk was. B. Roof C.