Archiefdocument
Origineel
[Links boven]: 15/6 '40
Niet innen van belasting wegens het innemen van een plaats in het als markt aangewezen openbare gemeente water.
Brandstoffenmarkt Art 3. V. U. h.
Door het verbod van afleveren van brandstoffen aan particulieren, zijn ten aanzien van de inning van de marktgelden op de Brandstoffenmarkt [geschrapt: voor de week] van 18 tot 25 mei j.l. moeilijkheden gerezen. [geschrapt: Eenige] Brandstoffenhandelaren maakten bezwaar om het marktgeld te betalen op grond van het feit dat zij, ten gevolge van het bovenbedoelde verbod, [geschrapt: genoodzaakt] waren hun vaartuigen, na lossing van de lading in hun pakhuizen, leeg aan de markt te laten liggen.
Aan de [geschrapt: dienstdoende marktambtenaar] werd [geschrapt: door hen] van de zijde der schippers verklaard, [geschrapt: dat zij tot nader order geen marktgeld meer zouden betalen] dat men niet van plan was marktgeld te betalen voor de vaartuigen, waarmede men wel of geen zaken meer kon doen, en die al of niet gelost aan de brandstoffenmarkt lagen.
[geschrapt: Uit deze aantekeningen blijkt:] Dit geldt uiteraard alleen voor maand- of weekbetaling, omdat de jaarbetalers of reeds geheel zijn voldaan of per kalenderkwartaal moeten worden voldaan.
[Diverse doorgehaalde regels]
Uit deze aantekeningen blijkt:
1. (d.w.z. van 18 tot 25 Mei j.l.) dat in de 21e week voor 5 weekschuiten met een totalen tonneninhoud van 205 ton geen marktgeld werd geïnd. Tot een bedrag van fl 51.25
2. dat deze cijfers voor de 22e week zijn: 5 vaartuigen, 200 ton, fl 50.~
3. dat deze cijfers voor de 23e week zijn: 6 vaartuigen, 269 ton fl. 67.25
4. dat over de maand mei van alle maandschuiten marktgeld werd voldaan. (De betaling van het marktgeld voor deze schuiten geschiedt uiteraard bij het begin van iedere maand)
5. dat tot heden voor 3 maandschuiten met een totalen tonneninhoud van 151 ton voor de maand Juni geen marktgeld [einde tekst] Het document is een ambtelijk rapport over een conflict tussen brandstoffenhandelaren (schippers) en de marktmeester/gemeente over de betaling van liggelden (marktgeld). De handelaren weigeren te betalen omdat hun schepen noodgedwongen stilliggen. De berekening van het marktgeld is gebaseerd op de tonnenmaat van de vaartuigen: uit de cijfers (bijv. 205 ton voor 51,25 gulden) valt af te leiden dat het tarief 25 cent per ton bedroeg. Er wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen week-, maand- en jaarbetalers, waarbij de problemen zich vooral voordoen bij degenen die per week moeten afrekenen. De vele doorstalingen wijzen op een kladversie of een proces-verbaal dat tijdens het opstellen nog werd geredigeerd om de argumentatie van de schippers nauwkeuriger te verwoorden. De datum op het document, 15 juni 1940, plaatst deze kwestie exact één maand na de Nederlandse capitulatie in de Tweede Wereldoorlog. Het genoemde "verbod van afleveren van brandstoffen aan particulieren" is een directe reactie op de Duitse bezetting, waarbij brandstoffen (kolen, turf) onmiddellijk werden gerantsoeneerd of gevorderd voor de oorlogsindustrie en de bezettingsmacht. Dit document toont de lokale economische ontregeling die hierdoor ontstond: schippers konden hun handel niet kwijt, bleven met lege schepen in de markthavens liggen, maar werden door de gemeente nog wel aangeslagen voor marktgeld, hetgeen leidde tot protest.