Officieel schrijven / Vergunningsbrief (doorslag/archiefkopie).
Origineel
Officieel schrijven / Vergunningsbrief (doorslag/archiefkopie). 30 maart 1940. De Directeur (vermoedelijk van de Dienst van het Marktwezen, Amsterdam). [Rechtsboven, handgeschreven:]
2 ex. Mr. de Raer.
[Middenboven, getypt:]
VP/HG.
[Linksboven, getypt:]
24/3/2 M.
[Midden-links, handgeschreven over de paginabreedte:]
Verzonden 30/3 - '40.
[Rechtsmidden, getypt:]
30 Maart 1940.
den Heer E.de Vries,
Zandstraat 8,
Amsterdam-Centrum.
Wijk 2.
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 14 dezer verleen
ik U hierbij gedurende ten hoogste zes maanden na dato
dezes toestemming om geen plaats op de markt Amstelveld te
bezetten.
De Directeur, Het document is een formele bevestiging van een verlofregeling voor een marktkoopman. De heer E. de Vries heeft op 14 maart 1940 een verzoek ingediend om tijdelijk zijn standplaats op de markt aan het Amstelveld niet te hoeven bezetten. De directeur (van de betreffende gemeentelijke dienst) verleent hiervoor toestemming voor een periode van maximaal zes maanden.
Dergelijke administratieve handelingen waren noodzakelijk omdat marktkooplieden hun recht op een vaste standplaats konden verliezen als zij zonder geldige reden of toestemming afwezig bleven. De handgeschreven aantekening "2 ex. Mr. de Raer" suggereert dat er kopieën zijn gestuurd naar een juridisch adviseur of een hogere ambtenaar binnen de gemeente. * Tijdsbeeld: De brief is gedateerd op 30 maart 1940, slechts zes weken voor de Duitse inval in Nederland (10 mei 1940). Het land verkeerde op dat moment in staat van mobilisatie, wat een mogelijke reden zou kunnen zijn voor de gevraagde afwezigheid (militaire dienstplicht).
* Locatie: De Zandstraat in Amsterdam-Centrum lag in de directe nabijheid van de toenmalige Jodenbuurt. De markt op het Amstelveld was (en is) een bekende marktlocatie in de stad.
* Persoonsgegevens: De naam "E. de Vries" komt veel voor, maar gezien de locatie en de periode is het niet onwaarschijnlijk dat de geadresseerde van Joodse afkomst was. In de maanden na deze brief zouden de omstandigheden voor Joodse marktkooplieden drastisch verslechteren door de anti-Joodse maatregelen van de bezetter, waardoor hun aanwezigheid op openbare markten uiteindelijk geheel verboden werd. Dit document legt een moment vast van reguliere administratieve gang van zaken, vlak voordat de oorlog de maatschappij volledig zou ontwrichten.