Doorslag van een officiële brief (administratieve correspondentie).
Origineel
Doorslag van een officiële brief (administratieve correspondentie). 16 augustus 1940. De Directeur (van de Markten, Gemeente Amsterdam). [handgeschreven:] extra
[getypt:]
VP/HG.
den Heer A.Gans,
Nwe.Heerengracht 171 I,
Amsterdam-Centrum.
Wijk 2.
24/17/2 M.
16 Augustus 1940.
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 25 Juli jl. bericht ik U, dat het daarin vervatte verzoek niet voor inwilliging in aanmerking kan komen. Indien U Uw plaats op de markt Uilenburg niet regelmatig bezet zal deze worden ingetrokken ingevolge de desbetreffende bepalingen van het Reglement op de Markten.
De Directeur, * Inhoud: In deze brief wijst de directeur van de Amsterdamse markten een verzoek van de heer A. Gans af. De aard van het verzoek wordt niet expliciet genoemd, maar de context suggereert dat het gaat over zijn standplaats op de markt in de wijk Uilenburg. Daarnaast bevat de brief een expliciete waarschuwing: als de standplaats niet regelmatig wordt gebruikt, zal de vergunning worden ingetrokken conform het vigerende marktreglement.
* Toon: De toon is strikt zakelijk en bureaucratisch. Het woord "niet" is onderstreept om de afwijzing te benadrukken.
* Taalgebruik: Typisch ambtelijk taalgebruik uit de vroege 20e eeuw (bijv. "d.d.", "jl.", "vervatte", "ingevolge"). * Historische context: De brief is gedateerd op 16 augustus 1940, slechts drie maanden na de Nederlandse capitulatie aan nazi-Duitsland. Hoewel de brief op het eerste gezicht een routineuze administratieve handeling lijkt, is de timing en locatie zeer specifiek.
* Locatie: De Uilenburgermarkt bevond zich in het hart van de Joodse buurt van Amsterdam. De geadresseerde, de heer Gans (een veelvoorkomende Joodse achternaam), woonde aan de Nieuwe Herengracht, die eveneens in of grenzend aan deze buurt lag.
* Betekenis: In de beginfase van de bezetting probeerden veel Joodse Amsterdammers hun normale leven en handel voort te zetten, terwijl de druk van de bezetter en de economische onzekerheid toenamen. De waarschuwing over het "regelmatig bezetten" van de marktplaats kan erop wijzen dat marktkooplieden moeite hadden hun handel te drijven of dat de gemeente (onder druk of uit eigen beweging) de regels zeer strikt begon te handhaven tegenover Joodse vergunninghouders. Dit document vormt een klein maar veelzeggend puzzelstukje in de bureaucratische behandeling van burgers vlak voor de grootschalige uitsluiting van Joden uit het openbare en economische leven. A. Gans Gemeente Amsterdam