Het document is een ambtelijke afhandeling van een verzoek van een marktkraamhoudster op de Albert Cuypmarkt. Vanwege de mobilisatie van haar echtgenoot (die onder de wapenen is geroepen in de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog), kan zij de kraam op maandagen niet zelf bemannen. Ze vraagt toestemming om haar zwager, H. Snoek, als vervanger in te zetten. De ambtenaar oordeelt positief ("m.i. geen bezwaar"), mits dit dient voor het behoud van haar marktplaats. Er wordt opgemerkt dat deze zwager (geboren in 1909) al eerder toestemming had om als assistent op te treden. Het document bevat een duidelijke schrijfstoring ("te mogen te mogen"), wat vaker voorkomt in handgeschreven ambtelijke concepten. De verschillende data en parafen tonen de route van het document door de gemeentelijke hiërarchie.
Dit schrijven dateert van januari 1940, de periode van de 'Schemeroorlog'. Hoewel Nederland nog neutraal was, was de algemene mobilisatie sinds augustus 1939 een feit. Dit leidde tot aanzienlijke sociaaleconomische ontregeling; veel kleine familiebedrijven en marktkramen kwamen in de problemen doordat de mannelijke kostwinners in dienst waren. De Albert Cuypmarkt was in deze tijd al een streng gereguleerde markt. Het behouden van een standplaats was essentieel voor het gezinsinkomen, maar de regels voor persoonlijke aanwezigheid waren strikt. Dergelijke verzoeken om vervanging door familieleden waren in deze oorlogsmaanden dan ook schering en inslag bij de dienst Marktwezen van de gemeente Amsterdam.