Brief- of rapportfragment (waarschijnlijk een ambtelijk advies).
Origineel
Brief- of rapportfragment (waarschijnlijk een ambtelijk advies). 5 februari 1940. weinig ingegrepen, daar zij naar een andere bron
van inkomsten moest gaan uitzien en zoodoende
met haar man de markten ging bezoeken.
Thans blijkt, dat zij voorloopig in haar oude
functie is tewerkgesteld.
Mogelijk bestaat de kans om zich van het
marktkoopmanschap los te maken, welk beroep
maar al te gemakkelijk kan worden opgevat en dient
haar zulks m.i. ook mogelijk te worden gemaakt.
Ik geef u dan ook in overweging te adviseeren,
zooals in dergelijke gevallen vrijwel geregeld
geschiedt, het verzoek voor een onbepaald tijdvak
toe te staan.
Amsterdam, 5 Febr. '40
[Handtekening] * Inhoud: De tekst betreft een vrouw die door financiële omstandigheden gedwongen was om samen met haar echtgenoot op markten te gaan werken (marktkoopmanschap). De auteur merkt op dat zij inmiddels (voorlopig) is teruggekeerd in haar oude functie. Er wordt gepleit voor het verlenen van toestemming of een ontheffing voor onbepaalde tijd, zodat zij definitief afstand kan nemen van het marktleven. De schrijver uit een zekere reserve tegenover het beroep van marktkoopman ("welk beroep maar al te gemakkelijk kan worden opgevat").
* Taalgebruik: Formeel en ambtelijk Nederlands met de destijds gangbare spelling (bijv. "zoodoende", "Febr."). De afkorting "m.i." staat voor "mijns inziens".
* Toon: Professioneel en adviserend. De schrijver baseert zijn advies op de gangbare praktijk ("zooals in dergelijke gevallen vrijwel geregeld geschiedt"). * Tijdsgewricht: Het document is gedateerd op 5 februari 1940, tijdens de 'Schemeroorlog' (Phoney War), slechts drie maanden voor de Duitse inval in Nederland. De economische onzekerheid van die tijd klinkt door in de noodzaak om "naar een andere bron van inkomsten" uit te zien.
* Sociaal-economisch: De tekst geeft inzicht in de bureaucratische processen rondom tewerkstelling en vergunningen in de vooroorlogse periode. Het suggereert dat marktkoopmanschap werd gezien als een minder stabiel of wenselijk beroep vergeleken met een vaste "functie", en dat overheidsinstanties (of werkgevers) een rol speelden in het faciliteren van de terugkeer naar regulier werk. C. Meerman