Ambtelijke kennisgeving / Strafbeschikking.
Origineel
Ambtelijke kennisgeving / Strafbeschikking. 8 augustus 1940. De Directeur (van de Dienst der Markten, Amsterdam). [Handgeschreven bovenaan:] Verzonden 8/8 In de kaart
[Rechtsboven getypt:] HG.
[Rechtsboven geadresseerde:]
den Heer I.van Praag,
Ruyschstraat 106 II,
Amsterdam-Oost.
Wijk 11.
[Linksboven referentie:]
26/62/2 M.
[Rechtsboven datum:]
8 Augustus 1940.
Mij is gerapporteerd, dat U op Zaterdag 3 Augustus jl.
de markt aan de Dapperstraat niet tijdig - dat wil zeggen om
9 uur n.m. - met Uw goederen had verlaten.
In verband met dit feit bericht ik U, dat ik U, overeen-
komstig het bepaalde in artikel 39 lid 1 van het Reglement op
de Markten, voorwaardelijk heb gestraft met ontneming van het
recht om op de markten hier ter stede een plaats in te nemen en
wel voor den tijd van één dag. Deze straf zal ten uitvoer wor-
den gelegd, indien U zich binnen één jaar na dato dezes ander-
maal aan een laakbare handeling op een der markten hier ter
stede schuldig maakt, onverminderd de straf, die alsdan op het
nieuwe feit zal worden gesteld.
De Directeur, De brief betreft een officiële berisping en voorwaardelijke strafoplegging aan marktkoopman I. van Praag. De overtreding was het niet tijdig ontruimen van zijn standplaats op de Dappermarkt op zaterdag 3 augustus 1940. Volgens het reglement moest de markt om 21:00 uur (9 uur n.m.) verlaten zijn.
De opgelegde sanctie is een ontzegging van het marktrecht voor de duur van één dag. Deze straf is echter voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar. De brief hanteert een strikt formele, juridische toon en verwijst expliciet naar het vigerende marktreglement. De handgeschreven kanttekening "In de kaart" duidt erop dat deze overtreding is aangetekend in het persoonsregister of de kaartindex van de betreffende marktdienst. Dit document is gedateerd in augustus 1940, de eerste maanden van de Duitse bezetting van Nederland. Hoewel de inhoud op het eerste gezicht een routineuze administratieve maatregel lijkt, is de context van belang vanwege de identiteit van de geadresseerde. De heer I. (Isaac) van Praag was een Joodse Amsterdammer, en de Ruyschstraat bevond zich in een wijk met een grote Joodse populatie.
In deze periode begon de bezetter, vaak met medewerking van het bestaande Nederlandse ambtenarenapparaat, de regeldruk op Joodse burgers op te voeren. Marktkooplieden werden scherp in de gaten gehouden. Documenten zoals deze zijn vaak bewaard gebleven in archieven (zoals het Stadsarchief Amsterdam) als onderdeel van de administratieve geschiedenis die de toenemende restricties voor Joodse ondernemers voorafging aan de latere volledige uitsluiting en deportaties. De handhaving van ogenschijnlijk triviale regels zoals sluitingstijden werd in deze tijd vaak stringenter toegepast. I. van Praag