Typoscript (doorslag van een uitgaande brief).
Origineel
Typoscript (doorslag van een uitgaande brief). De Directeur (vermoedelijk van de Gemeentelijke Marktdienst Amsterdam). [Handgeschreven in potlood:] extra
VP/HG.
den Heer A. Isaac,
's-Gravesandestraat 36 hs,
Amsterdam-Oost.
Wijk 11.
25/67/2 M. 4 October 1940.
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 16 September jl:
bericht ik U, dat het daarin vervatte verzoek niet voor inwilliging
in aanmerking kan komen. Indien U Uw plaatsen op de markten Dapper-
straat en Waterlooplein niet regelmatig bezet, zullen deze plaat-
sen worden ingetrokken, overeenkomstig de desbetreffende bepalingen
van het Reglement op de Markten.
De Directeur, De kern van deze korte, zakelijke brief is een afwijzing van een verzoek en een officiële waarschuwing. De geadresseerde, de heer A. Isaac, heeft op 16 september 1940 een verzoek ingediend (de aard van het verzoek wordt niet gespecificeerd). De directeur wijst dit verzoek resoluut af.
Tevens wordt de heer Isaac gemaand zijn standplaatsen op de Dapperstraat en het Waterlooplein "regelmatig" te bezetten. Indien hij dit nalaat, zullen zijn vergunningen voor deze marktplaatsen worden ingetrokken op basis van het vigerende Marktreglement. De toon is strikt administratief en dreigend wat betreft de continuïteit van de bedrijfsvoering van de ontvanger. De datering van de brief (oktober 1940) is uiterst relevant. Nederland was op dat moment enkele maanden bezet door nazi-Duitsland. De naam van de geadresseerde (Isaac) en de locaties van de marktplaatsen (Waterlooplein en Dapperbuurt, beide centra van de Joodse economische bedrijvigheid in Amsterdam) wijzen erop dat de ontvanger zeer waarschijnlijk Joods was.
In deze periode begonnen de bezetter en collaborerende instanties met het systematisch bemoeilijken van het leven van Joodse burgers. Hoewel de brief op het eerste gezicht een standaard administratieve waarschuwing lijkt over het niet gebruiken van marktplaatsen, moet dit gezien worden in het licht van de toenemende restricties. Joodse marktkooplieden kregen te maken met pesterijen, onteigening en uiteindelijk uitsluiting. In de maanden na deze brief zouden Joodse kooplieden volledig van de reguliere markten worden geweerd en verbannen naar specifieke "Joodse markten", alvorens hun handel geheel onmogelijk werd gemaakt. Dit document kan een vroege administratieve stap zijn in dat proces van uitsluiting. A. Isaac
Samenvatting
De kern van deze korte, zakelijke brief is een afwijzing van een verzoek en een officiële waarschuwing. De geadresseerde, de heer A. Isaac, heeft op 16 september 1940 een verzoek ingediend (de aard van het verzoek wordt niet gespecificeerd). De directeur wijst dit verzoek resoluut af.
Tevens wordt de heer Isaac gemaand zijn standplaatsen op de Dapperstraat en het Waterlooplein "regelmatig" te bezetten. Indien hij dit nalaat, zullen zijn vergunningen voor deze marktplaatsen worden ingetrokken op basis van het vigerende Marktreglement. De toon is strikt administratief en dreigend wat betreft de continuïteit van de bedrijfsvoering van de ontvanger.
Bron-evidence
10
bericht ik U, dat het daarin vervatte verzoek niet voor inwilliging in aanmerking kan komen
Indien U Uw plaatsen op de markten Dapperstraat en Waterlooplein niet regelmatig bezet
den Heer A. Isaac, 's-Gravesandestraat 36 hs
Amsterdam-Oost
overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van het Reglement op de Markten
den Heer A. Isaac, 's-Gravesandestraat 36 hs
Indien U Uw plaatsen op de markten Dapperstraat en Waterlooplein niet regelmatig bezet
overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van het Reglement op de Markten
bericht ik U, dat het daarin vervatte verzoek niet voor inwilliging in aanmerking kan komen
Indien U Uw plaatsen op de markten Dapperstraat en Waterlooplein niet regelmatig bezet, zullen deze plaatsen worden ingetrokken
Historische Context
De datering van de brief (oktober 1940) is uiterst relevant. Nederland was op dat moment enkele maanden bezet door nazi-Duitsland. De naam van de geadresseerde (Isaac) en de locaties van de marktplaatsen (Waterlooplein en Dapperbuurt, beide centra van de Joodse economische bedrijvigheid in Amsterdam) wijzen erop dat de ontvanger zeer waarschijnlijk Joods was.
In deze periode begonnen de bezetter en collaborerende instanties met het systematisch bemoeilijken van het leven van Joodse burgers. Hoewel de brief op het eerste gezicht een standaard administratieve waarschuwing lijkt over het niet gebruiken van marktplaatsen, moet dit gezien worden in het licht van de toenemende restricties. Joodse marktkooplieden kregen te maken met pesterijen, onteigening en uiteindelijk uitsluiting. In de maanden na deze brief zouden Joodse kooplieden volledig van de reguliere markten worden geweerd en verbannen naar specifieke "Joodse markten", alvorens hun handel geheel onmogelijk werd gemaakt. Dit document kan een vroege administratieve stap zijn in dat proces van uitsluiting.