In deze brief verzoekt de heer A. van Praag om behoud van zijn marktplaatsvergunning. De kern van zijn probleem is de schaarste aan grondstoffen: door de rantsoenering (distributie) van tabak kan hij onvoldoende sigaren produceren om elke zondag op de markt te staan. Hij vraagt de Directeur van het Marktwezen om uitstel van het intrekken van zijn standplaatsrechten. Hij vreest dat als hij zijn vaste plek verliest, hij helemaal geen inkomsten meer uit de markt kan genereren op de momenten dat hij wél voorraad heeft ("hetgeen mij dubbel zou duperen"). De toon is formeel en beleefd, typerend voor correspondentie met overheidsinstanties in die tijd.
De brief dateert uit december 1940, ruim een half jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. De schaarste aan goederen begon in deze periode nijpend te worden, wat leidde tot de uitbreiding van het distributiestelsel. De genoemde "zondagsmarkt op Vilenburg" (Uilenburg) was een bekende markt in de Amsterdamse Jodenbuurt. Gezien de naam van de afzender (Van Praag) en de locatie van de markt, is het zeer waarschijnlijk dat de schrijver van Joodse afkomst was. Dit geeft het document een extra historische laag: in deze periode werden de beperkingen voor Joodse burgers en ondernemers door de bezetter stelselmatig opgevoerd, wat hun economische positie extra kwetsbaar maakte, nog los van de algemene schaarste door de oorlog.