Ambtelijke correspondentie / memorandum.
Origineel
Ambtelijke correspondentie / memorandum. 9 november (waarschijnlijk 1939, gezien de referentie naar het jaar 1940). Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen. 1 9 November 9.
8A/129/3 den Heer Wethouder voor de
Amsterdam. Levensmiddelen,
Mij, met het oog op diverse vraagpunten is met den Bedrijfs-
economisch-Adviseur voorloopig slechts afgesproken, dat
drukproeven met de betreffende machines in de practijk zullen
worden beoordeeld. Hiervoor is voldoende tijd beschikbaar,
daar aanvankelijk voor het jaar 1940 met het oude systeem
wordt doorgewerkt.
Wel zal reeds worden overgegaan tot het opplakken
van de portretten, in plaats van nieten, ten einde van de nie-
ten geen last te hebben bij eventueele invoering van het
machinale stelsel. Aanschaffing van plakmachines is waarschijn-
lijk niet dienstig, maar ook dit wordt nog onderzocht.
Het register van betalingen kan niet worden ge-
mist om de volgende redenen:
1e. het dient om na te gaan of een kooper, die zijn kaart
vergeten heeft, of zegt vergeten te hebben, reeds betaald
heeft, in welk geval tot nu toe geen nieuwe betaling wordt
geëischt indien uit het register blijkt, dat betaling
heeft plaats gehad.
2e. Zooals reeds hierboven is opgemerkt, heeft Maatschappe-
lijke Steun mijns inziens belang bij een systeem, dat de
mogelijkheid biedt om te contrôleeren of koopers, die
steun aanvragen, regelmatig de Centrale Markt hebben be-
zocht. Deze contrôle geschiedt tot nu toe uit het register
van betalingen. Temeer lijkt mij handhaving van deze con-
trôlemogelijkheid geboden, indien van de zijde van Markt-
wezen aan den dienst voor Maatschappelijke Steun advies
moet worden gegeven, omtrent de positie van individueele
koopers (venters enz.), zooals in de toekomst in Uwe be-
doeling ligt, blijkens het instellen bij Maatschappelijke
Steun van een Contactcommissie op het gebied van den
straathandel. Bij invoering van een machinaal systeem met
overplakking zal dus zeker het register van betalingen
gehandhaafd moeten worden.
3o. Voor het nagaan of koopers in het bezit dienen te worden
gesteld van een Rijksherkenningskaart, - waarvoor vereischt
is, dat zij onafgebroken gedurende de laatste 2 jaren in Dit document geeft inzicht in de administratieve vernieuwingen bij de gemeente Amsterdam aan het eind van de jaren '30. De belangrijkste punten zijn:
- Modernisering: Er is sprake van een geplande overgang naar een "machinaal stelsel". Om dit technisch mogelijk te maken, wordt de werkwijze voor identiteitsbewijzen aangepast: pasfoto's (portretten) worden voortaan geplakt in plaats van geniet, omdat nietjes de machines kunnen beschadigen.
- Controle en Handhaving: Het "register van betalingen" blijkt een cruciaal controlemiddel. Het dient niet alleen voor de financiële administratie (verificatie van betalingen bij vergeten kaarten), maar ook als controlemiddel voor de sociale dienst (Maatschappelijke Steun).
- Sociale Zekerheid: De overheid gebruikt de marktgegevens om te controleren of personen die een uitkering aanvragen daadwerkelijk als marktkoopman of venter actief zijn. De oprichting van een "Contactcommissie op het gebied van den straathandel" wijst op een toenemende regulering van deze sector.
- Identificatieplicht: De tekst noemt de "Rijksherkenningskaart" en een vereiste van twee jaar onafgebroken activiteit/verblijf, wat duidt op strengere eisen voor het verkrijgen van officiële handelsdocumenten. Het document dateert van november 1939. Nederland bevindt zich op dat moment in de periode van de mobilisatie; de Tweede Wereldoorlog is in Europa al uitgebroken, maar Nederland is nog neutraal. De bureaucratische controle op de bevolking en de economie neemt in deze periode sterk toe. De koppeling tussen markttoegang, identificatiebewijzen en sociale steun is typerend voor de Amsterdamse aanpak van armoedebestrijding en economische regulering in de late jaren '30. De genoemde "Centrale Markt" was het hart van de Amsterdamse voedselvoorziening. De transitie naar een Rijksherkenningskaart loopt vooruit op de latere, veel strengere legitimatieplicht die tijdens de Duitse bezetting zou worden ingevoerd.