Archiefdocument
Origineel
19 september 1940 N. de Rooij Den Heer Directeur van het Marktwezen, Amsterdam. N. de Rooij
Van Woustraat 65
Amsterdam-Z.
Amsterdam, 19 September 1940
Den Heer Directeur van het Marktwezen
A m s t e r d a m.
Wel. Ed. Heer,
Dank zij Uw bemiddeling kwam de rijvergunning voor mijn personen auto heden in mijn bezit. Voor deze bemiddeling gelieve U langs deze weg mijn oprechte dank te aanvaarden.
Hoewel door U reeds eerder stappen gedaan zijn ook een dergelijke vergunning voor mijn vrachtauto ( No. G.Z. 40857 ) welke wagen ik voor mijn bedrijf zoo broodnoodig heb, te verkrijgen, heb ik tot dusver hiervan niets vernomen, naar aanleiding waarvan ik zoo vrij ben nogmaals een beroep op Uw bemiddeling te doen teneinde deze vergunning te verkrijgen, daar ik niet langer buiten deze wagen kan.
U bij voorbaat dankend voor deze bemiddeling, verblijf ik,
Met hoogachting
N. de Rooij [handtekening] Deze brief is een formeel schrijven van een Amsterdamse ondernemer aan de directeur van de Dienst van het Marktwezen. De toon is uiterst beleefd en respectvol, wat gebruikelijk was voor zakelijke correspondentie in die tijd (gebruik van termen als "Wel. Ed. Heer", "bemiddeling" en "verblijf ik").
De kern van de brief is tweeledig:
1. Dankzegging: De afzender bedankt de directeur voor zijn hulp bij het verkrijgen van een rijvergunning voor zijn personenauto.
2. Verzoek: De afzender vraagt opnieuw om hulp bij het verkrijgen van een vergunning voor zijn vrachtwagen (kenteken G.Z. 40857). Hij benadrukt dat dit voertuig "broodnoodig" is voor zijn bedrijfsvoering.
De brief getuigt van de bureaucratische hindernissen waar ondernemers mee te maken kregen om hun transportmiddelen te kunnen blijven gebruiken. De datum van de brief, 19 september 1940, is van groot historisch belang. Nederland was op dat moment enkele maanden bezet door nazi-Duitsland. Tijdens de bezetting werden brandstof en voertuigen schaars. De Duitse bezetter voerde strikte regels in voor het gebruik van motorvoertuigen; voor elk gebruik was een speciale 'rijvergunning' nodig.
De afzender, N. de Rooij, was gevestigd in de Van Woustraat, een bekende winkelstraat in de Amsterdamse Pijp. Het is aannemelijk dat hij een winkelier of kleine transportondernemer was die voor zijn bevoorrading afhankelijk was van zijn vrachtwagen.
De "Dienst van het Marktwezen" was een gemeentelijke instantie die toezicht hield op de markten en de logistiek daaromheen. Dat De Rooij zich tot deze directeur wendt, suggereert dat zijn bedrijfsactiviteiten gerelateerd waren aan de markthandel of dat deze functionaris over de juiste informele kanalen beschikte om zaken bij de centrale autoriteiten te bespoedigen. De brief illustreert hoe burgers en ondernemers in de vroege oorlogsjaren trachtten hun normale leven en werk voort te zetten binnen de nieuwe beperkingen van de bezetter. N. de Rooij Z. Marktwezen