Archiefdocument
Origineel
Amsterdam, 12 april 1940 Amsterdam 12 April 1940
Overzicht van de afwijking van de nor-
male bezetting der markttuiners op de
Centrale Markt.
De markttuiners J. Smit en C. Breedveld
bezetten samen één plaats (pl. 6 of 7) sinds
1934.
P. Smit en Th. G. Smit bezetten samen één
plaats (pl 40 of 41) sinds 1934.
M.C. Klaverstijn en W.N.C. Verhoeve bezetten
samen één plaats (pl 44 of 45) sinds 1937.
Volgens inlichtingen ingewonnen bij de
Heeren Winterwerp en Bol bezitten de tuiniers
J. Smit en C. Breedveld tuinen van resp. 20 en
44 are voor koude grond cultuur.
De opbrengst van genoemde tuinen is zoo klein,
dat het voor ieder der genoemde tuiniers
onmogelijk is om de f 90,- die verschuldigd is
voor het bezetten van een plaats, op te brengen,
reden waarom zij tezamen één plaats
bezetten en ieder f 45 betalen.
De tuiniers P. Smit en Th. G. Smit zijn twee
broers op gevorderde leeftijd, die samen
een tuin groot 61 are voor koude grond cultuur -
80 are voor glascultuur en 137 are voor
waterplanten bezitten.
Dit is één bedrijf, waarvoor ook slechts
één teeltvergunning is afgegeven en
waarvan de opbrengst minimaal genoemd
moet worden.
De huisvesting is dan ook in over-
eenstemming daarmede, zij bewonen op Dit document is een ambtelijk verslag waarin uitzonderingen op de standaardregels voor het huren van staanplaatsen op de Amsterdamse Centrale Markt worden verantwoord. De hoofdboodschap is dat bepaalde tuiniers (producenten die hun eigen waar verkochten) toestemming hebben gekregen om gezamenlijk één kraam te huren om de kosten te drukken.
De argumentatie voor deze coulance is tweeledig:
1. Economische noodzaak: De opbrengst van de kleine percelen (variërend van 20 tot 137 are) is onvoldoende om de volledige individuele standplaatsvergoeding van 90 gulden te dekken. Door plaatsen te delen, betalen de tuiniers slechts 45 gulden per persoon.
2. Bedrijfsvoering: In het geval van de gebroeders Smit wordt aangevoerd dat zij feitelijk als één economische eenheid opereren, wat wordt gestaafd door het feit dat zij slechts over één teeltvergunning beschikken. Hun gevorderde leeftijd en bescheiden woonsituatie ("huisvesting") worden als aanvullende bewijslast voor hun beperkte draagkracht opgevoerd. Het document is geschreven op 12 april 1940, slechts enkele weken voor de Duitse inval in Nederland. Het biedt een inkijkje in de precaire economische situatie van kleine zelfstandige tuiniers in de regio Amsterdam aan het begin van de jaren '40.
De Centrale Markt in Amsterdam-West was destijds de belangrijkste doorvoerhaven voor groenten en fruit. De "Heeren Winterwerp en Bol" waarnaar verwezen wordt, waren prominente figuren binnen de Amsterdamse Marktdienst; J.M. Winterwerp was de directeur van de Marktdienst in die periode.
De nauwkeurige specificatie van de teeltvormen (koude grond, glascultuur en waterplanten) is kenmerkend voor de tuinbouwstructuur rondom de hoofdstad (zoals de Sloterpolder), waar een grote diversiteit aan kleinschalige teelt bestond. Het document toont de strenge bureaucratische controle die de gemeente uitoefende op de marktbezetting en de inning van marktgelden.