Archiefdocument
Origineel
21 juni 1940 (~~Hollandsche Spoorwegen~~) [linksboven, doorgehaald]
A'dam 21 Juni '40. 1/
Naar aanleiding van Uw brief d.d.
15 dezer bericht ik U, dat in
de eerste oorlogsdagen door mijn dienst,
in opdracht van de Nederlandsche
Spoorwegen, ~~74~~ wagons met
goederen zijn verkocht. Van wie al
deze goederen afkomstig waren of
voor wie zij bestemd waren ~~was niet bekend~~
~~kon niet worden nagegaan~~ of althans
kon daarmee geen rekening worden gehouden,
daar elk communicatie-middel
met ~~afga~~ voor nader overleg in die
dagen ontbrak.
~~Door Bur~~
In opdracht van Burgemeester en
Wethouders was door mij in die dagen
een Prijzen-Commissie ingesteld, bestaande
uit groot- en kleinhandelaren, die tot
opdracht had nauwgezet te waken voor
Prijsopdrijving: het voortdurend herhaalde
de voorschriften van hoogerhand, dat De tekst is een formele ambtelijke verklaring betreffende noodmaatregelen die zijn genomen tijdens de Duitse inval in mei 1940. De auteur (waarschijnlijk een Amsterdamse dienstleider of wethouder) verantwoordt twee specifieke acties:
1. Noodverkoop van goederen: De verkoop van de inhoud van 74 spoorwagons. Door de chaos van de eerste oorlogsdagen en het wegvallen van telefoon- en telegraafverbindingen was het onmogelijk om met de eigenaren of geadresseerden te overleggen. De verkoop diende waarschijnlijk om bederf te voorkomen of de lokale markt te bevoorraden.
2. Prijsbeheersing: De instelling van een lokale 'Prijzen-Commissie' bestaande uit handelaren om woekerprijzen tegen te gaan. Dit was een direct antwoord op de economische onzekerheid en de schaarste die direct na de invasie ontstonden.
Het document bevat veel doorhalingen, wat wijst op een zorgvuldige redactie van een officieel verslag over een gevoelige periode. De brief is geschreven op 21 juni 1940, slechts vijf weken na de Nederlandse capitulatie. De context is die van een ontregelde samenleving waarin lokale overheden genoodzaakt waren zelfstandig besluiten te nemen omdat het centrale gezag tijdelijk was weggevallen. De verwijzing naar de "Nederlandsche Spoorwegen" en de "Burgemeester en Wethouders" plaatst het document in de sfeer van de gemeentelijke herstelwerkzaamheden in Amsterdam direct na de gevechtshandelingen. De nadruk op "voorschriften van hoogerhand" duidt op de pogingen om de economische orde te herstellen onder het prille nieuwe regime.