Archiefdocument
Origineel
26 Juli 1940. De Directeur (vermoedelijk van de Amsterdamse Marktwezen of een gerelateerde gemeentelijke dienst). 37/113/2 M.
VP/G.
[Handgeschreven:] Verzonden 27/7
26 Juli 1940.
den Hooggeleerden Heer
Prof.Mr.Dr.G.van den Bergh,
"Elisabeth"
Noordlaan 32,
B e r g e n (N.H.)
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 20 Juli jl. heb ik de eer U het navolgende te berichten:
Hoewel gegevens ter vergelyking ontbreken, mag myns inziens worden aangenomen, dat de invoering van den zomertyd sedert 1916 weinig of geen invloed heeft uitgeoefend op den aanvoer van groente en fruit naar Amsterdam. Byzondere bezwaren zyn in dit verband nimmer gebleken, ook niet, nu de zomertyd nog eens extra 40 minuten is verschoven.
Het vooruitzetten van de klok met 3 of zelfs met 4 uur zou, zoolang de huidige omstandigheden duren, het houden van de markt vrywel onmogelyk maken, omdat - in verband met de verduisteringsmaatregelen - het begin van de markt zich naar den zonsopgang moet regelen, terwyl het einde der markt, in verband met den verkoop in de stad, niet evenredig later kan worden gesteld. Reeds thans worden by de afwikkeling van den markthandel eenige bezwaren ondervonden, omdat de markttyd vry aanzienlyk is ingekrompen.
Ook in normale tyden, als geen verduisteringsmaatregelen noodig zyn, zal een zoover vooruitzetten van de klok myns inziens op groote bezwaren stuiten. Het begin van de markt zal dan moeten worden verschoven tot 1.30 uur à 2.30 uur zonnetyd 's nachts, zoodat de marktkooplieden en tuinders des zomers om byvoorbeeld 7 uur 's avonds zonnetyd ter ruste zouden moeten gaan. Het verzetten van de klok met 3 à 4 uur zou voor degenen, die by het marktbedryf zyn betrokken, tot gevolg hebben, dat bezigheden, die normaal by daglicht geschieden, naar den nacht zouden worden verschoven.
De Directeur, In deze brief reageert een directeur (waarschijnlijk van de Amsterdamse markt) op een voorstel van Prof. Dr. George van den Bergh om de klok nog verder vooruit te zetten (een extreme vorm van zomertijd, 3 tot 4 uur).
De schrijver voert twee hoofdarkumenten aan tegen dit plan:
1. Oorlogsomstandigheden: Vanwege de verduisteringsvoorschriften tijdens de bezetting moet de markt bij daglicht plaatsvinden (start bij zonsopgang). Als de klok 3-4 uur vooruit zou gaan, maar de markt pas bij zonsopgang kan beginnen, wordt de effectieve handelstijd te kort omdat de distributie in de stad niet onbeperkt naar achteren kan verschuiven.
2. Praktische bezwaren voor de sector: Zelfs zonder oorlog zouden marktkooplieden en tuinders in een onmogelijk ritme gedwongen worden. Om op tijd op de markt te zijn (bij een kloktijd die 4 uur voorloopt op de zon), zouden zij midden in de zonne-nacht moeten opstaan en al om 19:00 uur (zonnetijd) naar bed moeten gaan.
De toon is formeel-ambtelijk, maar de afwijzing van het voorstel van Van den Bergh is beslist. De brief is gedateerd op 26 juli 1940, slechts enkele maanden na de Duitse inval in Nederland. De bezetter had op 16 mei 1940 de "Duitse tijd" (Middeneuropese Tijd) ingevoerd. Omdat de oude Nederlandse tijd (Amsterdamse Tijd) daar 40 minuten op achterliep, was de klok toen al "extra 40 minuten verschoven", zoals de brief vermeldt.
De geadresseerde, George van den Bergh, was een bekende jurist, SDAP-politicus en astronoom. Hij was een groot voorstander van de zomertijd en pleitte vaak voor een "Euro-tijd" of nog extremere verschuivingen om optimaal gebruik te maken van het daglicht.
Het document geeft een interessant inkijkje in hoe abstracte ideeën over tijdsindeling botsten met de rauwe realiteit van de voedselvoorziening en de beperkingen van de Duitse bezetting (zoals de verduistering).