Dienstbrief / Officiële correspondentie van de Gemeente Amsterdam.
Origineel
Dienstbrief / Officiële correspondentie van de Gemeente Amsterdam. 13 februari 1939. De Wethouder voor de Financiën (getekend door P. Rustige). De Wethouder voor de Levensmiddelen, Wasch- en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen. № 179
L.M. 1939
GEMEENTE AMSTERDAM
№ 10/16/1 M. 1939 18/2
AFD. Fin. 1939
No. 164,203
BIJLAGEN 4
AMSTERDAM, 13 Februari 1939.
MEN WORDT VERZOCHT BIJ HET ANTWOORD NAUWKEURIG HET NUMMER EN DE AFDEELING VAN DIT SCHRIJVEN TE VERMELDEN.
Bij zijn besluit d.d. 2 December 1937 No. 711 (Gem. blad afd. I, pg. 2037 van 1937) werd door den Raad besloten voor het jaar 1938 de afschrijvingen op de gezamenlijke bezittingen der gemeente-instellingen te beperken tot het bedrag der verplichte aflossing op de ten behoeve dezer instellingen aangegane geldleeningen, tenzij bij de Gemeentebegrooting voor verdere afschrijvingen alsnog gelden ter beschikking zouden worden gesteld.
Hoewel enkele meevallers tot dit doel op de begrooting werden gereserveerd wordt het niettemin wenschelijk geacht de rekeningen van de bedrijven over 1938 op te maken zonder rekening te houden met een eventueel voor verdere afschrijving beschikbaar komend bedrag.
Dientengevolge zullen in de rekening over 1938 de afschrijvingen beperkt moeten blijven tot het bedrag der verplichte aflossing op leeningen, met dien verstande, dat de normale afschrijvingsbedragen van alle objecten met een gelijk percentage zullen worden verminderd.
Ik moge U verzoeken de Directeuren der onder U ressorteerende diensten en bedrijven hiermede in kennis te stellen.
De Wethouder voor de Financiën,
get. Rustige
Aan den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen, Wasch- en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen.
Model G.A. 7
25.000-5-'38 Deze brief is een instructie betreffende de financiële verslaglegging over het jaar 1938. De kern van de boodschap is dat de gemeentelijke diensten hun afschrijvingen voor dat jaar strikt moeten beperken. In plaats van de gebruikelijke afschrijvingsmethodieken, mag er niet meer afgeschreven worden dan het bedrag dat noodzakelijk is voor de verplichte aflossing van leningen.
Dit wijst op een strak begrotingsbeleid waarbij getracht wordt de boekhoudkundige lasten te drukken, mogelijk om een gunstiger exploitatieresultaat te tonen of vanwege liquiditeitsgebrek. Interessant is de opmerking dat zelfs gereserveerde "meevallers" buiten beschouwing moeten worden gelaten bij het opmaken van de rekeningen. De maatregel treft alle objecten naar rato ("met een gelijk percentage verminderd"). De brief is geschreven in februari 1939, een periode van grote internationale spanning en economische onzekerheid, vlak voor de uitbraak van de Tweede Wereldoorlog. In Amsterdam was Pieter Rustige (SDAP) op dat moment wethouder van Financiën. Hij stond bekend om zijn degelijke financiële beleid in een tijd waarin de stad grote uitgaven deed voor onder andere werkverschaffing en woningbouw.
De geadresseerde is de wethouder verantwoordelijk voor de zogenaamde "levensmiddelen en waschinrichtingen". Dit waren vitale stedelijke diensten zoals de Gemeentelijke Centrale Keuken, openbare washuizen en badhuizen, die in die tijd essentieel waren voor de volksgezondheid en het welzijn van de minderbedeelde Amsterdammers. De brief illustreert hoe de centrale financiële afdeling grip hield op de boekhouding van deze diverse uitvoerende diensten.