Ambbtelijke correspondentie / brief.
Origineel
Ambbtelijke correspondentie / brief. 25 april 1939. Onbekend (mogelijk Hoofd Marktwezen, getekend met onleesbaar handmerk, mogelijk "M. Müller"). [Handgeschreven handtekening: M. Müller?]
vdL/G.
10/26/2 M.
25 April 1939.
Verjaring belastingschulden
by Marktwezen.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r.
Onder terugzending van de my met Uw kantschryven
d.d. 7 April 1939, om advies in handen gestelde nota No. 313
L.M. 1939 heb ik de eer U het volgende te berichten.
Inderdaad wordt by myn dienst belastingschuld, die
ouder is dan 3 jaar als verjaard beschouwd conform artikel
295 van de Gemeentewet. In de practyk heeft dit tot nu toe
voornamelyk marktgeld (plaatsgeld van de dag- en weekmark-
ten) en standplaatsgeld betroffen, immers de meeste schulden
wegens ventgeld en plaatsgeld op de Centrale Markt zyn nog
geen 3 jaar oud.
Op de wettelyke verjaringsclausule is mynerzyds
voor het eerst de aandacht gevestigd in myn rapport d.d. 27
Juni 1934, No. 18/126 M 1934, naar aanleiding van een my door
Uw ambtsvoorganger om advies gezonden nota van den Commies
Uwer afdeeling Levensmiddelen d.d. 13 Juni 1934, No. 611 L.M.
1934. In deze nota werd geadviseerd: by het in werking tre-
den der Ventverordening op 1 September 1934 geen ventvergun-
ningen af te geven aan personen, die nog standplaatsgeld ver-
schuldigd waren wegens wanbetaling op inmiddels ingetrokken
standplaatsvergunningen. Ik vereenigde my met deze opvatting,
onder mededeeling, dat zy alleen zou worden gevolgd ten aan-
zien van schulden, die op 1 September 1934 niet ouder waren
dan drie jaren; zulks ingevolge het bepaalde in artikel 295
Gemeentewet. Ik voegde daaraan nog toe: ten deze ware nog
het advies in te winnen van den Directeur der Gemeentebelas- * Inhoud: De brief bevestigt dat de afdeling Marktwezen een verjaringstermijn van drie jaar hanteert voor openstaande belastingschulden (zoals marktgeld), conform artikel 295 van de Gemeentewet. De afzender refereert aan een eerdere beleidslijn uit 1934 waarbij werd bepaald dat ventvergunningen geweigerd mochten worden aan personen met schulden, mits deze schulden nog niet verjaard waren.
* Taalgebruik: Het document is opgesteld in de toen gangbare ambtelijke spelling (bijv. "my", "practyk", "vdl/G"). Het is formeel en verwijst nauwkeurig naar eerdere dossiers en wetgeving.
* Status: Het betreft een adviesstuk in een lopende administratieve procedure over de inning van gemeentelijke gelden. * Historische context: Het document dateert uit april 1939, kort voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. In deze periode was de lokale overheid in Nederland sterk bezig met het stroomlijnen van de inning van markt- en staangelden.
* Bestuurlijke context: De brief is gericht aan de Wethouder voor de Levensmiddelen. In Amsterdam was dit destijds een belangrijke portefeuille die toezag op de voedselvoorziening en de markten (zoals de Centrale Markthallen aan de Jan van Galenstraat).
* Juridische context: De discussie draait om de toepassing van de Gemeentewet op lokale verordeningen (zoals de Ventverordening). Het toont de spanning tussen de behoefte van de gemeente om schulden te innen en de wettelijke bescherming die verjaring biedt aan de burger. De suggestie aan het einde om de Directeur der Gemeentebelastingen te raadplegen, wijst op een proces van afstemming tussen verschillende gemeentelijke diensten.