Archief 745
Inventaris 745-271
Pagina 289
Dossier 55
Jaar 1939
Stadsarchief

Archiefdocument

25 april 1939 (gezien de referentie aan januari 1939 en de aanduiding '25 April 9' bovenaan). Van: Onbekend (vermoedelijk een hoofd van een gemeentelijke dienst of juridisch adviseur). Aan: Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen te Amsterdam.

Origineel

25 april 1939 (gezien de referentie aan januari 1939 en de aanduiding '25 April 9' bovenaan). Onbekend (vermoedelijk een hoofd van een gemeentelijke dienst of juridisch adviseur). Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen te Amsterdam. 4 25 April 9
10/26/2 den Heer Wethouder voor de
Amsterdam. Levensmiddelen

verjaart na 3 jaar. Bij het afgeven van nieuwe ventvergun-
ningen aan personen, die nog vent- of standplaatsgeld ver-
schuldigd zijn, moet eveneens met de verjaringsclausule reke-
ning worden gehouden. Ditzelfde geldt voor het afgeven van
standplaatsvergunningen aan personen, die nog vent- of
standplaatsgeld verschuldigd zijn ( vide, als voorbeeld, mijn
brief d.d. 16 Januari 1939, No.39/7/3 M, betreffende een
aanvraag voor een standplaatsvergunning, waarbij naast f 9,-
achterstallig standplaatsgeld nog f 3,50 ventschuld bestond,
waarvan op dat oogenblik 3/5 deel was verjaard).
Ten aanzien van de principieele- en juridische zij-
de van deze quaestie kan nog het volgende worden opgemerkt.
Men kan bij de bovenbeschreven methode wel betaling van ver-
jaarde schuld accepteeren. Iemand, die een dergelijke schuld
vrijwillig betaalt, voldoet daarmede aan een natuurlijke ver-
bintenis en kan het terzake betaalde niet terug vorderen
(artikel 1395 lid 2 B.W.). Bij mijn dienst zijn dan ook wel
dergelijke betalingen aangenomen; men kan de menschen er ech-
ter niet toe "verplichten"; met name niet in de gevallen,
waarbij de debiteur verklaart onmogelijk het achterstallige
bedrag aan vent- en standplaatsgeld ineens te kunnen voldoen.
Dan moet men hem wel mededeelen, dat hij kan volstaan met be-
taling van het niet-verjaarde deel. Immers het weigeren of
bemoeilijken van het afgeven van een ventvergunning, bij het
bestaan van reeds geheel of gedeeltelijk verjaarde schuld,
krijgt altijd het karakter van détournement de pouvoir.
Juridisch kan dit standpunt niet anders dan juist
worden genoemd. Immers, het kan niet juist zijn, dat de Over-
heid tot betaling eener verjaarde schuld zou dwingen, terwijl
geen rechtsmaatregelen, om een dergelijke schuld te innen,
meer mogelijk zijn. Een dergelijke dwang lijkt mij juridisch zelfs
onrechtmatig. Wel kan men formeel redeneeren: de Overheid
behoeft geen (vent- of standplaats-) vergunning te verleenen;
welnu, zij weigert die, als niet "vrijwillig" vooraf een ver-
jaarde schuld wordt voldaan. Doch, zooals gezegd, mij lijkt
dit onjuist: van de bevoegdheid om een vergunning te weige-
ren, dient de Overheid mijns inziens een rechtmatig gebruik De kern van dit document is een ambtelijk-juridisch bezwaar tegen het gebruik van vergunningsverlening als pressiemiddel om oude schulden te innen. De auteur zet uiteen dat schulden voor standplaats- of ventgeld na drie jaar verjaren. Hoewel een burger een dergelijke schuld vrijwillig mag voldoen (een 'natuurlijke verbintenis' volgens het toenmalige Burgerlijk Wetboek), mag de overheid dit niet afdwingen door een nieuwe vergunning te weigeren.

De auteur waarschuwt dat het conditioneren van een vergunning op de betaling van een verjaarde schuld neerkomt op détournement de pouvoir (machtsmisbruik). De overheid gebruikt hierbij een bevoegdheid (het reguleren van de handel via vergunningen) voor een ander doel dan waarvoor deze is verleend (het innen van niet-afdwingbare schulden). Dit wordt door de schrijver als juridisch onjuist en zelfs onrechtmatig bestempeld. Het document is geschreven in de context van de vooroorlogse crisisjaren in Amsterdam (1939). In deze periode was straathandel (venten) voor velen een laatste redmiddel om een inkomen te genereren. De gemeente probeerde enerzijds de openbare orde te handhaven en inkomsten te innen, maar werd hierbij begrensd door de opkomende algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

De verwijzing naar artikel 1395 lid 2 B.W. (oud) toont aan dat de juridische basis voor overheidshandelen in die tijd sterk verankerd was in het privaatrecht. Het document geeft een inkijkje in de interne discussie tussen de uitvoerende dienst en het politieke bestuur (de wethouder) over de ethische en juridische grenzen van het overheidsoptreden tegenover burgers met schulden.

Samenvatting

De kern van dit document is een ambtelijk-juridisch bezwaar tegen het gebruik van vergunningsverlening als pressiemiddel om oude schulden te innen. De auteur zet uiteen dat schulden voor standplaats- of ventgeld na drie jaar verjaren. Hoewel een burger een dergelijke schuld vrijwillig mag voldoen (een 'natuurlijke verbintenis' volgens het toenmalige Burgerlijk Wetboek), mag de overheid dit niet afdwingen door een nieuwe vergunning te weigeren.

De auteur waarschuwt dat het conditioneren van een vergunning op de betaling van een verjaarde schuld neerkomt op détournement de pouvoir (machtsmisbruik). De overheid gebruikt hierbij een bevoegdheid (het reguleren van de handel via vergunningen) voor een ander doel dan waarvoor deze is verleend (het innen van niet-afdwingbare schulden). Dit wordt door de schrijver als juridisch onjuist en zelfs onrechtmatig bestempeld.

Historische Context

Het document is geschreven in de context van de vooroorlogse crisisjaren in Amsterdam (1939). In deze periode was straathandel (venten) voor velen een laatste redmiddel om een inkomen te genereren. De gemeente probeerde enerzijds de openbare orde te handhaven en inkomsten te innen, maar werd hierbij begrensd door de opkomende algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

De verwijzing naar artikel 1395 lid 2 B.W. (oud) toont aan dat de juridische basis voor overheidshandelen in die tijd sterk verankerd was in het privaatrecht. Het document geeft een inkijkje in de interne discussie tussen de uitvoerende dienst en het politieke bestuur (de wethouder) over de ethische en juridische grenzen van het overheidsoptreden tegenover burgers met schulden.

Locaties

Amsterdam.

Kooplieden in dit dossier 89

A. Cuypstraat Waterlooplein
A. Cuypstraat Waterlooplein 53
A. Bepaling 1.942
A J v Meukekers
A. Markt-, standplaats- en ventgelden (volgn. 87) ......... Waterlooplein $f$ 162.500.—
A v Rijswijk
Bokking kisten 2.127
A. Ontvangsten Waterlooplein „ 3.050.—
C. Blom 25-9-1939
C. Markt Uilenburg 6.490.000,--
C. Markt Uilenburg 104.242,—
C. Markt Uilenburg 6.490.000,--
C. Markt Uilenburg 380.200,--
C. Markt Uilenburg 104.242,--
C. Markt Uilenburg 380.200,—
C. Markt Uilenburg 6.490.000,-- ✓
C. Markt Uilenburg 380.300,-- ✓
C. Markt Uilenburg 104.242,-- ✓
C. Markt Uilenburg 6.490.000,—
C. Markt Uilenburg 104.242,--
C. Markt Uilenburg 380.200,--
Centrale Markt **verlies** Uilenburg 244.000,—
Centrale Markt **verlies** Uilenburg 244.000,--
Centrale Markt verlies Uilenburg 244.000,-- ✓
Alle 89 kooplieden →