Archief 745
Inventaris 745-271
Pagina 290
Dossier 75
Jaar 1939
Stadsarchief

Ambtelijk advies / Brief

25 april 1929 (gebaseerd op de datumregel "25 April 9" met een vage "1929" stempel/doorslag) Van: De Directeur (naam niet vermeld)

Origineel

Ambtelijk advies / Brief 25 april 1929 (gebaseerd op de datumregel "25 April 9" met een vage "1929" stempel/doorslag) De Directeur (naam niet vermeld) 5 25 April 9
10/26/2 den Heer Wethouder voor de
Amsterdam. Levensmiddelen

te maken, evenals van alle hare bevoegdheden. Niet-rechtmatig
lykt my: het gebruiken dier bevoegdheid tot het afdwingen van
een door de Wet niet afdwingbaar gestelde verbintenis.
Ik merk in dit verband nog op, dat, wanneer het bo-
venstaande niet wordt aanvaard, er myns inziens principieel
geen aanleiding bestaat om by het afgeven van ventvergunnin-
gen byvoorbeeld ook niet betaling te eischen van eventueele
vorderingen "uit anderen hoofde", die de Gemeente nog op den
debiteur zou kunnen doen gelden. Hiervoor zouden myns inziens
dan in de eerste plaats in aanmerking komen nog-niet-ver-
jaarde schulden aan marktgeld. Ook zou er dan principieel
geen aanleiding bestaan om byvoorbeeld ten aanzien van ver-
jaarde huurschulden der Centrale Markt een andere gedragslyn
te volgen. Deze schulden verjaren na 30 jaren; doch men zou,
na dien tyd, den toegang tot de markt kunnen weigeren aan wie
niet alsnog "vrywillig" betaalde. Zegt men, dat dit te lang
geleden is, omdat hier een verjaring eerst na 30 jaren op-
treedt, dan zou men moeten bepalen, gedurende hoeveel jaren
men nog wel tot betaling van verjaarde belastinggelden (vent-
geld en dergelyke) wil dwingen en na verloop van hoeveel ja-
ren niet meer. Men zy er zich dan van bewust, dat de Gemeen-
te dan als het ware een correctief op de Gemeentewet gaat ge-
ven, die uitdrukkelyk een termyn van drie jaren aangeeft.
Met het oog op de beteekenis van de hierboven be-
handelde materie, adviseer ik U omtrent een en ander het ad-
vies in te winnen van Uw ambtgenoot voor de Financiën.

                                    De Directeur,

--- In dit schrijven adviseert de Directeur de Wethouder voor de Levensmiddelen over een juridisch-bestuurlijk dilemma. De kernvraag is of de gemeente de bevoegdheid om een vergunning (in dit geval een ventvergunning) te verlenen, mag gebruiken als dwangmiddel om openstaande schulden te innen die juridisch gezien niet meer afdwingbaar zijn (verjaarde schulden) of die geen directe betrekking hebben op de gevraagde vergunning ("uit anderen hoofde").

De Directeur stelt zich op het standpunt dat dit "niet-rechtmatig" is. Hij beargumenteert dat als men deze grens overschrijdt, er geen logisch stoppunt meer is: men zou dan immers ook oude marktgeld-schulden of huurschulden van de Centrale Markt (die een verjaringstermijn van 30 jaar hebben) kunnen gaan innen als voorwaarde voor een nieuwe vergunning.

Een cruciaal punt in zijn analyse is dat de Gemeente Amsterdam hiermee feitelijk de Gemeentewet zou omzeilen, aangezien die wet voor bepaalde belastinggelden (zoals ventgeld) een expliciete verjaringstermijn van slechts drie jaar hanteert. Hij waarschuwt dat de gemeente hiermee een eigen "correctief" op de wet toepast, wat juridisch aanvechtbaar is.

--- Dit document stamt uit de periode van het Interbellum (vermoedelijk 1929), een tijd waarin de Amsterdamse gemeentelijke bureaucratie en de regelgeving rondom markten en straathandel (venten) sterk werden geprofessionaliseerd.

De "Wethouder voor de Levensmiddelen" hield toezicht op de voedselvoorziening in de stad, waaronder de markten en de Centrale Markthal (geopend in 1934, maar de planning en voorlopers waren al eerder actief).

De discussie over "vrijwillige" betaling van verjaarde schulden is een klassiek voorbeeld van de spanning tussen de behoefte van de overheid aan inkomsten (fiscale discipline) en de beginselen van behoorlijk bestuur (rechtszekerheid en het verbod op 'détournement de pouvoir' of machtsmisbruik). De Directeur toont zich hier een behoeder van de rechtmatigheid door voor te stellen de Wethouder van Financiën te consulteren alvorens dit beleid door te zetten.

Samenvatting

In dit schrijven adviseert de Directeur de Wethouder voor de Levensmiddelen over een juridisch-bestuurlijk dilemma. De kernvraag is of de gemeente de bevoegdheid om een vergunning (in dit geval een ventvergunning) te verlenen, mag gebruiken als dwangmiddel om openstaande schulden te innen die juridisch gezien niet meer afdwingbaar zijn (verjaarde schulden) of die geen directe betrekking hebben op de gevraagde vergunning ("uit anderen hoofde").

De Directeur stelt zich op het standpunt dat dit "niet-rechtmatig" is. Hij beargumenteert dat als men deze grens overschrijdt, er geen logisch stoppunt meer is: men zou dan immers ook oude marktgeld-schulden of huurschulden van de Centrale Markt (die een verjaringstermijn van 30 jaar hebben) kunnen gaan innen als voorwaarde voor een nieuwe vergunning.

Een cruciaal punt in zijn analyse is dat de Gemeente Amsterdam hiermee feitelijk de Gemeentewet zou omzeilen, aangezien die wet voor bepaalde belastinggelden (zoals ventgeld) een expliciete verjaringstermijn van slechts drie jaar hanteert. Hij waarschuwt dat de gemeente hiermee een eigen "correctief" op de wet toepast, wat juridisch aanvechtbaar is.


Historische Context

Dit document stamt uit de periode van het Interbellum (vermoedelijk 1929), een tijd waarin de Amsterdamse gemeentelijke bureaucratie en de regelgeving rondom markten en straathandel (venten) sterk werden geprofessionaliseerd.

De "Wethouder voor de Levensmiddelen" hield toezicht op de voedselvoorziening in de stad, waaronder de markten en de Centrale Markthal (geopend in 1934, maar de planning en voorlopers waren al eerder actief).

De discussie over "vrijwillige" betaling van verjaarde schulden is een klassiek voorbeeld van de spanning tussen de behoefte van de overheid aan inkomsten (fiscale discipline) en de beginselen van behoorlijk bestuur (rechtszekerheid en het verbod op 'détournement de pouvoir' of machtsmisbruik). De Directeur toont zich hier een behoeder van de rechtmatigheid door voor te stellen de Wethouder van Financiën te consulteren alvorens dit beleid door te zetten.

Kooplieden in dit dossier 89

A. Cuypstraat Waterlooplein
A. Cuypstraat Waterlooplein 53
A. Bepaling 1.942
A J v Meukekers
A. Markt-, standplaats- en ventgelden (volgn. 87) ......... Waterlooplein $f$ 162.500.—
A v Rijswijk
Bokking kisten 2.127
A. Ontvangsten Waterlooplein „ 3.050.—
C. Blom 25-9-1939
C. Markt Uilenburg 6.490.000,--
C. Markt Uilenburg 104.242,—
C. Markt Uilenburg 6.490.000,--
C. Markt Uilenburg 380.200,--
C. Markt Uilenburg 104.242,--
C. Markt Uilenburg 380.200,—
C. Markt Uilenburg 6.490.000,-- ✓
C. Markt Uilenburg 380.300,-- ✓
C. Markt Uilenburg 104.242,-- ✓
C. Markt Uilenburg 6.490.000,—
C. Markt Uilenburg 104.242,--
C. Markt Uilenburg 380.200,--
Centrale Markt **verlies** Uilenburg 244.000,—
Centrale Markt **verlies** Uilenburg 244.000,--
Centrale Markt verlies Uilenburg 244.000,-- ✓
Alle 89 kooplieden →