Archiefdocument
Origineel
25 april (jaar niet expliciet vermeld bovenaan, maar tekst verwijst naar september 1936). 2 25 April 9
10/26/2 den Heer Wethouder voor de
Amsterdam. Levensmiddelen
schuld werd betaald, waartoe niet zelden een afbetalingsre-
geling werd getroffen. Uit het boek blykt, dat in den loop
der jaren slechts zeer geringe bedragen aan oude schuld wer-
den ontvangen. Een dergelyk alphabetisch ingericht boek,
waarin verschillende afbetalingsregelingen in een kolom "Op-
merkingen" werden genoteerd, werd op den duur onoverzichte-
lyk en voldeed niet meer aan redelyke administratie eisen.
Omstreeks September 1936 werd besloten een betere administra-
tie hiervoor in te stellen, waarby voor iederen schuldenaar
een aparte strook (slip) werd ingevoerd. Daarby rees de
practische vraag, welke schulden nu nog als invorderbaar
moesten worden beschouwd: alle of uitsluitend die van enkele
(de laatste) jaren. Op zich zelf waren al deze vorderingen
uiteraard zeer dubieus. By dubieuze vorderingen "in het al-
gemeen" is het aan het beleid van den betreffenden dienst of
het betreffende bedryf der Gemeente overgelaten om op bepaal-
de momenten "af te schryven" of "af te boeken", of de vorde-
ringen voor een onbeperkt aantal jaren in de administratie
te blyven opnemen, hetgeen by de "bedryven" dan geschiedt
door in de Balans tegenover de Post "Dubieuze debiteuren"
een Post "Afschryving dubieuze debiteuren" te stellen. By
myn beslissing terzake werd ik geleid door de volgende over-
wegingen:
1e. Er werd slechts zeer weinig ontvangen aan "oude schuld".
2e. Het gedurende ettelyke jaren blyven administreeren van
een groot aantal kleine dubieuze vorderingen leidt tot
administratieve rompslomp, die geen zin heeft.
3e. Kwam er werkelyk eens een gelegenheid om een oude schuld
te kunnen innen, dan betrof het voor den betreffenden
koopman toch veelal een te groot bedrag om ineens te be-
talen; een afbetalingsregeling moest dan worden aange-
gaan, waarvan in de practyk ook weer weinig terecht
kwam.
4e. Het stond vast, dat vrywel alle schuldbedragen in werke-
lykheid meer "administratieve" dan ~~"re"eele"~~ ^"reële"^ schuld (we-
gens "het bezetten" van een plaats !) betroffen, immers * Taal en Spelling: Het document is opgesteld in een ambtelijke stijl met de destijds gebruikelijke spelling (zoals "blykt", "redelyke", "vrywel" met een 'y' in plaats van 'ij'). Dit is kenmerkend voor Nederlandse administratieve teksten uit de eerste helft van de 20e eeuw.
* Kernboodschap: De auteur pleit voor het saneren van de administratie door oude, oninbare schulden af te schrijven. De overstap in 1936 van een onoverzichtelijk registerboek naar een modern kaartsysteem ("strook/slip") vormde de aanleiding om de kwaliteit van de openstaande vorderingen kritisch tegen het licht te houden.
* Argumentatie: De auteur hanteert vier pragmatische redenen voor afschrijving:
1. De feitelijke opbrengst is nihil.
2. De administratieve last ("rompslomp") is onevenredig groot.
3. Betalingsregelingen voor kooplieden falen in de praktijk vaak.
4. De schulden zijn technisch van aard (gelieerd aan standplaatsen) en vertegenwoordigen geen reële economische waarde meer.
* Correcties: In punt 4 is een typefout ("re"eele") handmatig gecorrigeerd naar "reële". Dit document biedt inzicht in de modernisering van de Amsterdamse gemeentelijke administratie in het interbellum (de periode tussen de wereldoorlogen). De "Wethouder voor de Levensmiddelen" hield toezicht op zaken als markten en volksvoeding. De genoemde "koopman" en de verwijzing naar "het bezetten van een plaats" suggereren dat het hier gaat om staangeld of marktgelden die door kleine handelaren verschuldigd waren. In de nasleep van de economische crisis van de jaren '30 bleken veel van deze kleine vorderingen oninbaar, wat leidde tot deze beleidswijziging om de administratieve efficiëntie te vergroten.