Ambtelijk advies / Brief (kopie of doorslag).
Origineel
Ambtelijk advies / Brief (kopie of doorslag). 25 april (jaartal niet expliciet op deze pagina, maar in de tekst wordt verwezen naar een brief uit 1939). (Noot: De spelling uit het origineel is aangehouden. Onderstreepte woorden in de tekst zijn hier cursief weergegeven.)
4 25 April 9
10/26/2 den Heer Wethouder voor de
Amsterdam. Levensmiddelen
verjaart na 3 jaar. By het afgeven van nieuwe ventvergun-
ningen aan personen, die nog vent- of standplaatsgeld ver-
schuldigd zyn, moet eveneens met de verjaringsclausule reke-
ning worden gehouden. Ditzelfde geldt voor het afgeven van
standplaatsvergunningen aan personen, die nog vent- of
standplaatsgeld verschuldigd zyn ( vide, als voorbeeld, myn
brief d.d. 16 Januari 1939, No.39/7/3 M, betreffende een
aanvraag voor een standplaatsvergunning, waarbij naast f 9,-
achterstallig standplaatsgeld nog f 3,50 ventschuld bestond,
waarvan op dat oogenblik 3/5 deel was verjaard).
Ten aanzien van de principieele- en juridische zy-
de van deze quaestie kan nog het volgende worden opgemerkt.
Men kan by de bovenbeschreven methode wel betaling van ver-
jaarde schuld accepteeren. Iemand, die een dergelyke schuld
vrywillig betaalt, voldoet daarmede aan een natuurlyke ver-
bintenis en kan het terzake betaalde niet terug vorderen
(artikel 1395 lid 2 B.W.). By myn dienst zyn dan ook wel
dergelyke betalingen aangenomen; men kan de menschen er ech-
ter niet toe "verplichten"; met name niet in de gevallen,
waarbij de debiteur verklaart onmogelyk het achterstallige
bedrag aan vent- en standplaatsgeld ineens te kunnen voldoen.
Dan moet men hem wel mededeelen, dat hy kan volstaan met be-
taling van het niet-verjaarde deel. Immers het weigeren of
bemoeilijken van het afgeven van een ventvergunning, by het
bestaan van reeds geheel of gedeeltelyk verjaarde schuld,
krygt altyd het karakter van détournement de pouvoir.
Juridisch kan dit standpunt niet anders dan juist
worden genoemd. Immers, het kan niet juist zyn, dat de Over-
heid tot betaling eener verjaarde schuld zou dwingen, terwijl
geen rechtsmaatregelen, om een dergelyke schuld te innen,
meer mogelyk zijn. Een dergelyke dwang lykt mij juridisch zelfs
onrechtmatig. Wel kan men formeel redeneeren: de Overheid
behoeft geen (vent- of standplaats-) vergunning te verleenen;
welnu, zy weigert die, als niet "vrywillig" vooraf een ver-
jaarde schuld wordt voldaan. Doch, zooals gezegd, my lykt
dit onjuist: van de bevoegdheid om een vergunning te weige-
ren, dient de Overheid myns inziens een rechtmatig gebruik * Kernbetoog: De auteur adviseert de wethouder dat de gemeente Amsterdam geen dwangmiddelen mag gebruiken om marktkooplieden of straatventers te dwingen verjaarde schulden (ouder dan 3 jaar) te betalen.
* Juridisch kader: Er wordt verwezen naar artikel 1395 lid 2 van het (oude) Burgerlijk Wetboek. Een verjaarde schuld is een "natuurlijke verbintenis": de morele plicht tot betalen blijft bestaan, maar de overheid kan deze niet meer via de rechter afdwingen. Als iemand echter vrijwillig betaalt, kan hij dat geld later niet meer terugvorderen.
* Détournement de pouvoir: Dit is het belangrijkste juridische argument in de tekst. Het betekent "misbruik van bevoegdheid". De auteur stelt dat de overheid haar macht om vergunningen te weigeren niet mag gebruiken als pressiemiddel om schulden te innen die juridisch niet meer afdwingbaar zijn. Dit zou een oneigenlijk gebruik van de bestuurlijke macht zijn.
* Taalgebruik: Het document hanteert de vooroorlogse spelling (zoals zyn, dergelyke, quaestie) en ambtelijk jargon. De onderstrepingen in het origineel (weergegeven in cursief) benadrukken de juridische ernst van het onrechtmatig dwingen van burgers. Dit document stamt uit de late jaren '30 (gezien de referentie naar januari 1939). Het geeft een inkijkje in de Amsterdamse gemeentelijke administratie in een tijd van economische krapte, waarbij venters en marktlui moeite hadden hun standplaatsgelden te betalen. Het laat zien hoe ambtenaren en juristen binnen het stadsbestuur waakten over de rechtsstatelijke principes: ook al heeft de gemeente geld nodig, zij moet zich houden aan de wet en mag haar machtspositie (het verlenen van vergunningen die noodzakelijk zijn voor het levensonderhoud van de burger) niet misbruiken. De "Wethouder voor de Levensmiddelen" was in deze periode een cruciale functie, zeker met de naderende oorlogsdreiging en de distributie van goederen.