Ambtelijk advies / Brief
Origineel
Ambtelijk advies / Brief 25 april [19]29 (gebaseerd op het jaartal-cijfer '9' en de historische context van de Centrale Markt). De Directeur (vermoedelijk van de Centrale Markt of een gerelateerde gemeentelijke dienst in Amsterdam). Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen, Amsterdam. (Pagina begint midden in een zin)
te maken, evenals van alle hare bevoegdheden. Niet-rechtmatig
lykt my: het gebruiken dier bevoegdheid tot het afdwingen van
een door de Wet niet afdwingbaar gestelde verbintenis.
Ik merk in dit verband nog op, dat, wanneer het bo-
venstaande niet wordt aanvaard, er myns inziens principiëel
geen aanleiding bestaat om by het afgeven van ventvergunnin-
gen byvoorbeeld ook niet betaling te eischen van eventueele
vorderingen "uit anderen hoofde", die de Gemeente nog op den
debiteur zou kunnen doen gelden. Hiervoor zouden myns inziens
dan in de eerste plaats in aanmerking komen nog-niet-ver-
jaarde schulden aan marktgeld. Ook zou er dan principiëel
geen aanleiding bestaan om byvoorbeeld ten aanzien van ver-
jaarde huurschulden der Centrale Markt een andere gedragslyn
te volgen. Deze schulden verjaren na 30 jaren; doch men zou,
na dien tyd, den toegang tot de markt kunnen weigeren aan wie
niet alsnog "vrywillig" betaalde. Zegt men, dat dit te lang
geleden is, omdat hier een verjaring eerst na 30 jaren op-
treedt, dan zou men moeten bepalen, gedurende hoeveel jaren
men nog wel tot betaling van verjaarde belastinggelden (vent-
geld en dergelyke) wil dwingen en na verloop van hoeveel ja-
ren niet meer. Men zy er zich dan van bewust, dat de Gemeen-
te dan als het ware een correctief op de Gemeentewet gaat ge-
ven, die uitdrukkelyk een termyn van drie jaren aangeeft.
Met het oog op de beteekenis van de hierboven be-
handelde materie, adviseer ik U omtrent een en ander het ad-
vies in te winnen van Uw ambtgenoot voor de Financiën.
De Directeur, In dit document adviseert de Directeur de Wethouder over een delicaat juridisch en ethisch vraagstuk: mag de gemeente Amsterdam een ventvergunning weigeren om betaling af te dwingen van schulden die juridisch gezien niet meer afdwingbaar zijn (bijvoorbeeld door verjaring)?
De belangrijkste punten uit het betoog zijn:
1. Rechtmatigheid: De auteur stelt dat het "niet-rechtmatig" is om bestuursrechtelijke bevoegdheden (het verlenen van vergunningen) te gebruiken als dwangmiddel voor schulden die de wet zelf niet meer afdwingbaar acht.
2. Precedentwerking: Als de gemeente dit wel gaat doen, ontstaat er onduidelijkheid over welke schulden wel of niet meegewogen mogen worden. De auteur noemt marktgeld en huurschulden van de Centrale Markt.
3. Conflict met de wet: De auteur waarschuwt dat de gemeente hiermee feitelijk de Gemeentewet probeert te corrigeren. Waar de wet een verjaringstermijn van drie jaar stelt voor bepaalde belastinggelden (zoals ventgeld), zou de gemeente door weigering van vergunningen die termijn negeren.
4. Conclusie: Vanwege de financiële en juridische implicaties wordt geadviseerd de Wethouder van Financiën erbij te betrekken. Het document dateert uit een periode (eind jaren '20) waarin de gemeente Amsterdam haar marktwezen professionaliseerde. De "Centrale Markt" aan de Jan van Galenstraat werd in deze periode gepland en gebouwd (geopend in 1934). Het marktwezen was een cruciale bron van inkomsten en voedselvoorziening voor de stad, maar ook een bron van constante juridische strijd tussen handelaren en het stadsbestuur over leges en vergunningen.
De tekst hanteert de spelling-Marchant (gebruik van 'y' in plaats van 'ij' in woorden als my, vrywillig en gedragslyn), wat destijds de norm was in formele ambtelijke correspondentie vóór de grote spellingshervormingen. De strikte scheiding tussen verschillende bestuurstaken (specialiteitsbeginsel) die de auteur hier bepleit, is nog steeds een kernprincipe van het moderne Nederlandse bestuursrecht.