Ambtelijke notitie / Bijblad (administratieve aantekeningen).
Origineel
Ambtelijke notitie / Bijblad (administratieve aantekeningen). 8 april 1939 (verzonden/doorgezonden op 8/4). [Linksboven in kader]
BIJBLAD VAN:
M. No. 10/26/1 1939.
DOORGEZONDEN: 8/4
[Midden boven, handgeschreven]
2/ Financiën is met onze methode bekend. ~~Heeft een staat van jaartallen.~~ Over welke jaren en hoe groot?
Mulle (?) heeft ± 300 slips van ± f 100.- in totaal. Verjaarde verschuldigde komen nog f [onleesbaar]. Ik heb verzuimd een en ander te rapporteren / oud zeer in inningsstelsel.
Art 295 Gemeentewet wordt door ons sedert October 1936 toegepast (men lette toen nog op schulden van 1926).
[Linker marge]
d) Schuld st.pl. geld liep enorm op door langen duur der invordering: (maanden) het werd dus meer een administratieve lang reëele schuld dan bij marktgeld.
a) Dubieuze vorderingen worden afgeschreven, wanneer daartoe aanleiding bestaat.
b) Alle onbevent en standplaatsgeld is "dubieus".
c) L. past de verjaring gaarne toe, om van de dubieuze debiteuren en den administratieven "rompslomp" af te komen, vooral ook omdat daardoor minder kosten worden geholpen. Later volgde ik deze methode ook en voor de on-stand [geld?].
[Onderaan linker marge, gedrukte tekst]
Alg. Zaken Model No. 14
10.000-10-1937-4016
[Centrale tekstblok]
In 1935 stelden wij voor, terzake van marktgeld een dwangbevel uit te vaardigen; men heeft dit niet gewenscht. 't Gevolge is, dat de verjaringstermijn niet gestuit wordt: Gemeente Belasting stuit wèl, maar ons werd dat niet toegestaan.
Natuurlijk accepteeren wij wel betaling van verjaarde schuld. Iemand, die een dergelijke schuld voldoet, voldoet aan een natuurlijke verbintenis en kan het terzake betaalde niet terugvorderen (Art. 1395 lid 2 BW).
De verjaarde schuld wordt desenzijds niet gevorderd; mededeeling, dat zij verjaard is, wordt alleen gedaan, als de debiteur naar de schuld vraagt. Dit document betreft een interne correspondentie of verslaglegging over de inning van gemeentelijke gelden (marktgeld en standplaatsgeld). De kern van het probleem is dat de betreffende afdeling geen dwangbevelen mag uitvaardigen, in tegenstelling tot de afdeling Gemeentebelastingen. Hierdoor wordt de verjaringstermijn van de schulden niet "gestuit" (onderbroken), waardoor veel vorderingen juridisch niet meer afdwingbaar zijn.
De schrijver hanteert een pragmatische aanpak:
1. Verjaring als oplossing: Men gebruikt de verjaring om van de "administratieve rompslomp" en oninbare posten af te komen.
2. Natuurlijke verbintenis: Er wordt verwezen naar het Burgerlijk Wetboek (Art. 1395, thans Art. 6:3 BW). Een verjaarde schuld blijft een 'natuurlijke verbintenis'. Als een burger vrijwillig betaalt, is dat geldig en kan het geld niet als 'onverschuldigde betaling' worden teruggeëist.
3. Informatieverschaffing: De afdeling herinnert debiteuren niet aan de schuld, maar als een burger er zelf naar vraagt, wordt eerlijk vermeld dat de schuld technisch gezien verjaard is. De context is de gemeentelijke bureaucratie in de jaren '30 in Nederland. Het document illustreert de frictie tussen verschillende gemeentelijke diensten (Financiën vs. Marktdiensten) en de zoektocht naar efficiëntie tijdens de economische nasleep van de crisis. De term "rompslomp" wijst op een wens tot administratieve vereenvoudiging. Het gebruik van "slips" (waarschijnlijk doorslagen of kwitanties) geeft een inkijk in de toenmalige papieren boekhouding. De expliciete juridische onderbouwing toont aan dat ambtenaren destijds zeer nauwgezet de wet (Gemeentewet en Burgerlijk Wetboek) toepasten op hun dagelijkse praktijk.