Handgeschreven ambtelijke notitie of advies (concept).
Origineel
Handgeschreven ambtelijke notitie of advies (concept). 12 april 1934 (linksonder gedateerd: 12-4-34). 2)
Het wordt dezerzijds niet juist geacht, dat de Overheid tot betaling eener verjaarde schuld zou dwingen, terwijl geen rechtsmaatregelen mogelijk zijn, om een dergelijke schuld te innen. Een dergelijke dwang lijkt m.i. op onrecht. Natuurlijk kan men formeel redeneeren: De Overheid behoeft geen (vent- of standplaats-) vergunning te verleenen, welnu, zij weigert die, als niet “vrijwillig” vooraf een verjaarde schuld wordt voldaan. Doch, zooals gezegd, mij lijkt dit onjuist: van de bevoegdheid om een vergunning te weigeren, dient de Overheid een rechtmatig gebruik te maken, evenals van alle hare bevoegdheden. Niet-rechtmatig lijkt mij, het gebruiken dier bevoegdheid tot het afdwingen van een door de Wet niet afdwingbaar gestelde ~~verplichting~~ verbintenis.
Voor de goede orde herinner ik er nog aan, dat, wanneer het bovenstaande niet wordt aanvaard, principieel geen aanleiding bestaat m.t.a.v. verjaarde huurschulden der Centr. Markt een andere gedragslijn te volgen. Deze verjaren na 30 jaren; doch men zou, na dien tijd, den toegang tot de markt kunnen weigeren aan wie niet alsnog “vrijwillig” betaalde. Zegt men, dat dit te lang geleden is, omdat hier een verjaring van 30 jaren optreedt, dan zal men moeten bepalen, gedurende hoeveel jaren men nog wel tot betaling van verjaarde belastingen (marktgelden) wil dwingen, en na verloop van hoeveel jaren niet meer. Men zij er zich dan van bewust, dat de Gemeente als het ware een correctief op de Gemeentewet gaat geven, die uitdrukkelijk een termijn van drie jaar aangeeft.
Het ontoelaatbare van de hier beschrevene vordering wordt m.i. ook door het laatste aangetoond.
12-4-34 mp. De auteur van dit document voert een juridisch-ethisch pleidooi tegen een specifieke praktijk van de overheid (waarschijnlijk de gemeente). De kern van het betoog is dat de overheid haar discretionaire bevoegdheid (het al dan niet verlenen van een vergunning) niet mag misbruiken om schulden te innen die rechtens niet meer afdwingbaar zijn vanwege verjaring.
De schrijver hanteert de volgende argumenten:
1. Rechtmatigheid: Het koppelen van een vergunning aan het betalen van een verjaarde schuld wordt gezien als een vorm van "onrecht".
2. Détournement de pouvoir: Hoewel de overheid formeel het recht heeft een vergunning te weigeren, moet dit gebruik van de bevoegdheid "rechtmatig" zijn. Het innen van een oninbare schuld valt daar volgens de auteur buiten.
3. Consistentie: Als men deze lijn doortrekt naar andere schulden (zoals huurschulden van de Centrale Markt, die een verjaringstermijn van 30 jaar kennen), wordt de onhoudbaarheid van het beleid duidelijk.
4. Conflict met de wet: De auteur wijst erop dat de Gemeentewet een specifieke verjaringstermijn van drie jaar stelt voor belastingen. Door indirecte dwang uit te oefenen na deze drie jaar, handelt de gemeente feitelijk in strijd met de geest van de wet. Het document dateert uit april 1934, midden in de crisisjaren. In deze periode zochten gemeenten naarstig naar inkomsten, wat vaak leidde tot een strenger invorderingsbeleid. De discussie over "vrijwillige" betaling van verjaarde schulden wijst op een spanningsveld tussen de noodzaak van de schatkist en de rechtszekerheid van de burger.
De referentie naar de "Centr. Markt" suggereert dat dit advies betrekking heeft op een grote gemeente met een centrale groothandelsmarkt, zeer waarschijnlijk Amsterdam (gezien de term "marktgelden" en de specifieke ambtelijke stijl die vaak in hoofdstedelijke archieven uit die tijd wordt aangetroffen). Het document illustreert de vroege discussies over wat we tegenwoordig de "algemene beginselen van behoorlijk bestuur" noemen, in het bijzonder het verbod op willekeur en misbruik van bevoegdheid.