Concept-brief (ambtelijke correspondentie).
Origineel
Concept-brief (ambtelijke correspondentie). 21 juni 1934. [Linksboven - Stempel]
BIJBLAD VAN:
M. No. 18 / 1934
DOORGEZONDEN: 1107 19/6 '34
[Middenboven]
Concept
M. No.
[Rechtsboven]
A’dam, 21 Juni 1934.
W.R.H.
[Hoofdtekst]
Onder terugzending van het met Uw kantbrief d.d. 14 dezer om advies ontvangen stuk heb ik de eer U te berichten, dat ik mij in principe met de in dit stuk voorgestelde gedragslijn kan vereenigen, ~~echter kan invordering van standplaatsgeld, ingevolge art. 295 Gem. Wet nog slechts gedurende drie jaren geschieden. Voor schulden, die op 1 Sept a.s. ouder dan~~
met dien verstande, dat zij alleen zal worden gevolgd ten aanzien van schulden wegens standplaatsgeld, die ~~niet~~ op 1 Sept. a.s. niet ouder zijn dan 3 jaren; zulks ingevolge ~~het~~ het bepaalde in art. 295 Gemeentewet. †
In bijlage dezes wordt ~~overgelegd?~~ een lijst van personen, die ~~sedert~~ sedert 1 Sept. 1931 nalatig zijn gebleven, met de bedragen hunner schuld.
[Linkermarge - in rode cirkel]
Hr. van Duinhoven!
Lijst ontwerpen!
v.p.
[Linkermarge - potlood]
† Verder ware nog het advies in te winnen van den Directeur der Gemeentebelastingen
[Linksonder - gedrukt/stempel]
In de betaling van het standplaatsgeld,
3000 ex.
[Rechtsonder - paraaf]
W.L. 21/6 '34 * Inhoud: Het betreft een ambtelijk advies over de invordering van achterstallig standplaatsgeld. De schrijver stemt in met een voorgestelde werkwijze, maar maakt een cruciaal voorbehoud op basis van de wet.
* Juridische aspecten: Er wordt expliciet verwezen naar Artikel 295 van de Gemeentewet. In de jaren '30 bepaalde dit artikel de verjaringstermijn voor gemeentelijke belastingen en retributies. De tekst stelt vast dat schulden ouder dan drie jaar (gerekend vanaf 1 september 1931 tot 1 september 1934) niet meer ingevorderd kunnen worden.
* Proces: De doorstrepingen laten de redactie van het concept zien. De schrijver preciseert de formulering om juridische fouten bij de invordering te voorkomen.
* Actiehouders: "Hr. van Duinhoven" krijgt de opdracht een lijst te ontwerpen van de debiteuren die binnen de driejaarstermijn vallen. Er wordt in de kantlijn gesuggereerd om ook de Directeur der Gemeentebelastingen te consulteren. Dit document stamt uit de crisisjaren dertig. Gemeenten hadden in deze periode grote moeite met het innen van gelden vanwege de economische malaise. "Standplaatsgeld" werd betaald door marktkooplieden of eigenaren van kiosken voor het gebruik van de openbare weg.
De strikte hantering van de driejarige verjaringstermijn (art. 295) was essentieel: de gemeente mocht juridisch gezien geen kosten maken voor de invordering van schulden die reeds verjaard waren. De datum van 1 september 1934 als peildatum suggereert een nieuwe inningsronde of een opschoning van de administratie voor het komende najaar.