Afschrift van een ambtelijk schrijven/advies.
Origineel
Afschrift van een ambtelijk schrijven/advies. 13 juni 1934. De Commissie der Afd. Levensm[iddelen]., Wasch- en Schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen (getekend door Besanger). Nº 18/107 M. 1934
No. 611 L.M. 1934 A F S C H R I F T. No. 18/107 M. 1934
Amsterdam, 13 Juni 1934.
Den Heer Administrateur der afd. Levensmiddelen, Wasch- en Schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen.
In den loop der jaren zijn verscheidene vergunningen voor vaste standplaatsen op den openbaren weg voor den verkoop van levensmiddelen ingetrokken, omdat de vergunninghouder nalatig was in de betaling van het verschuldigde marktgeld.
Aan deze personen wordt slechts een nieuwe standplaatsvergunning verleend, indien zij tevoren hun schuld aanzuiveren.
Onder de aanvragers voor een ventvergunning zijn een aantal personen, die nog schuld hebben wegens een - inmiddels ingetrokken - standplaatsvergunning.
Wordt aan deze menschen zonder meer een ventvergunning verleend, dan zullen zij aan Marktwezen maandelijks daarvoor een bedrag van f.0.60 moeten betalen, terwijl zij aan denzelfden dienst voor feitelijk dezelfde gunst, nl. het gebruik van den openbaren weg als verkoopgelegenheid, nog gelden verschuldigd zijn.
Het wil mij voorkomen, dat aan bedoelde personen geen ventvergunning moet worden uitgereikt, alvorens zij omtrent de betaling van hun schuld een regeling met Marktwezen hebben getroffen.
Naar mijn meening verzetten de bepalingen van de Ventverordening zich daartegen niet. Waar Burgemeester en Wethouders het recht hebben een ventvergunning in te trekken als het ventgeld niet op tijd betaald wordt, zijn zij ook bevoegd een vergunning niet te verleenen als de aanvrager voor eenzelfde punt nalatig is gebleven in hun voldoen aan zijn geldelijke verplichtingen.
Ik doe U hierbij nog opmerken, dat bij de uitvoering der Ventverordening de venters en de standplaatshouders worden beschouwd als één groep.
Voor een standplaats zullen slechts houders van een ventvergunning in aanmerking komen, terwijl een standplaatshouder een ventvergunning zal krijgen, indien hij op zijn standplaats zijn brood niet meer kan verdienen. Echter zal één en ander slechts kunnen geschieden, indien de venter of de standplaatshouder aan de financieele verplichtingen voortvloeiende uit de hem verleende vergunning, heeft voldaan.
Als in de toekomst deze gedragslijn wordt gevolgd is er m.i. niets tegen om deze ook thans bij de inwerkingtreding der Ventverordening toe te passen.
De Commissie der Afd. Levensm., Wasch- en Schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen.
w.g. Besanger.
Van Weth. L.M. aan Dir. Marktwezen
op 14 - 6 - 1934. * Kern van het document: De Commissie adviseert de Administrateur om geen nieuwe ventvergunningen uit te geven aan personen die nog schulden hebben bij de gemeente (de dienst Marktwezen) vanwege eerdere standplaatsvergunningen.
* Argumentatie: Het wordt als onrechtvaardig beschouwd dat mensen voor een zeer laag bedrag (60 cent per maand) een nieuwe vergunning voor straathandel kunnen krijgen terwijl ze nog aanzienlijke bedragen schuldig zijn voor hun oude vaste marktplaatsen. De commissie stelt dat de overheid het recht heeft een vergunning te weigeren op basis van bewezen betalingsonmacht of onwil in het verleden.
* Beleidsvoorstel: Men stelt voor om de groepen 'venters' (ambulante handelaren) en 'standplaatshouders' (vaste plekken) administratief als één groep te behandelen. Een nieuwe vergunning wordt pas afgegeven nadat oude schulden zijn afbetaald of er een betalingsregeling is getroffen. * Historische periode: Juni 1934. Nederland bevond zich midden in de Grote Depressie. De economische crisis zorgde voor grote armoede, waardoor veel kleine handelaren hun staangeld niet konden betalen. Velen probeerden over te stappen naar het goedkopere 'venten' (langs de deuren of op straat verkopen) om toch een inkomen te genereren.
* Bestuurlijke context: De gemeente Amsterdam probeerde in deze tijd de openbare orde en de inkomsten uit marktgelden strakker te reguleren. De afdeling "Levensmiddelen, Wasch- en Schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen" had een breed takenpakket dat zowel hygiëne als de distributie van basisbehoeften omvatte. De verwijzing naar "Weth. L.M." onderaan duidt waarschijnlijk op de Wethouder voor Levensmiddelenvoorziening.
* Maatschappelijke relevantie: Dit document illustreert de spanning tussen de harde noodzaak voor burgers om in hun levensonderhoud te voorzien tijdens een crisis en de bureaucratische noodzaak van de overheid om schulden te innen en regels te handhaven.