Handgeschreven ambtelijke notitie met bijgevoegd memo en financieel overzicht.
Origineel
Handgeschreven ambtelijke notitie met bijgevoegd memo en financieel overzicht. 15 mei 1939. [Opgeplakt/bijgevoegd memo linksboven:]
Op 12 Juni a.s. vindt executieve verkoop plaats van de bezittingen van huisschilder W.F. Michel. Deze heeft een schuld van f 128.- = { 1938 f 38.- / 1939 " 90.- }
A'dam 15 mei 1939
Steenbak
[Stempel rechtsboven:] Nº 10/33/M. 1939
[Hoofdblad:]
W.F. Michel L. Akersweg 90
plaatsgeld 1937 f 90.-
betaald in 1937 59,50 / 30.50 Saldo 1937
plaatsgeld 1938 90.-
[totaal] 120.50
betaald in 1938 72.50 / 48.- Saldo 1938
plaatsgeld 1939 90.-
[totaal] 138.-
betaald in 1939 10.- / 128.- schuld
Mr. Praag.
Hoe moet deze zaak behandeld worden?
Ik neem aan - hoewel ik dat niet weet - dat verkoop plaats vindt op grond van 't beding van art 1223 lid 2 BW. In dat geval blijft er ongetwijfeld niets over voor onze gewone vordering terzake van een niet preferente - plaatselijke belasting. Ik ontraad dus om de kosten van... Het document betreft een dossieropbouw rondom de invordering van achterstallig "plaatsgeld" (een lokale belasting voor het gebruik van een standplaats of marktruimte) van de heer W.F. Michel, een huisschilder wonend aan de L. Akersweg 90.
Uit het financiële overzicht blijkt dat de schuldenaar over de jaren 1937, 1938 en 1939 telkens slechts gedeeltelijk heeft betaald, wat heeft geleid tot een cumulatieve schuld van 128 gulden.
De juridische kern bevindt zich in de onderste krabbel. Er wordt melding gemaakt van een aanstaande executieve verkoop (gedwongen veiling) op 12 juni 1939. De juridisch adviseur adviseert echter negatief over het nemen van verdere stappen. De reden hiervoor is dat de verkoop waarschijnlijk plaatsvindt op basis van artikel 1223 lid 2 van het (oude) Burgerlijk Wetboek, wat wijst op een hypotheekhouder of pandhouder die zijn recht van parate executie uitoefent. Omdat de vordering van de gemeente (het plaatsgeld) in dit specifieke geval als "niet preferent" (niet-voorrangsgerechtigd) wordt beschouwd, verwacht de adviseur dat er na de verkoop geen geld meer overblijft voor deze schuld. De kosten van verdere juridische bemoeienis zouden dan "weggegooid geld" zijn. Dit document stamt uit mei 1939, de late crisisjaren in Nederland vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. De economische malaise is zichtbaar in de moeite die de kleine zelfstandige (huisschilder) heeft om relatief kleine bedragen aan plaatselijke belastingen te voldoen. Het gebruik van "Art. 1223 lid 2 BW" verwijst naar de destijds geldende wetgeving rondom zekerheidsrechten, waarbij banken of grote schuldeisers voorrang hadden op de fiscus of gemeente bij een faillissement of executie, mits het geen geprivilegieerde belastingvordering betrof. L. Akersweg W.F. Michel