Archiefdocument
Origineel
8 juni 1938. No. 72/79/1 M.1938 AFSCHRIFT No. 724a A.Z.1938 No. 468 L.M.1938.
HOOFDBUREAU VAN POLITIE TE AMSTERDAM
Dict.Ga/Mi.Lr.S.No.6792/7815/1938.
Dossier V.6.a.
Amsterdam, 8 Juni 1938.
Onder terugzending van de mij bij Uw kantbeschikking, no. 724 A.Z. van 14 Mei jl. in handen gestelde schrijven van den Leider van het Bureau tot bestrijding van de Werkloosheid, betreffende de daarbij gevoegde klacht van de N.V. Algemeene Transport Onderneming, N.Z. Voorburgwal 35-37, alhier, over den verkoop ~~xx~~ door venters van strijkjes aan toeristen, en onder bijvoeging van een afschrift van een bij mijn administratie ingekomen klacht van soortgelijke strekking van J. Wijnman, Reguliersgracht 48, alhier, heb ik de eer, UEdelAchtbare het volgende te berichten:
De in de bijlagen vervatte klachten acht ik niet van grond ontbloot en deze verdienen m.i. de bijzondere aandacht van de overheid.
Ook mijn administratie bereikten nl. reeds meermalen klachten, betreffende het venten met speldjes, strijkjes e.d. door personen, die veelal in het bezit blijken te zijn van ventvergunningen voor feestartikelen (en speelgoed). Hiervan maken deze personen dan een ongewenscht gebruik, meer dan eens uitgroeiende tot een feitelijk ontoelaatbaar misbruik, door zich op te houden op en nabij plaatsen, waar publiek voor bijzondere doeleinden - plechtigheden in de Universiteit, vergaderingen, tentoonstellingen, tooneelvoorstellingen, feestelijke bijeenkomsten, e.d. - pleegt samen te komen en te trachten, hun artikelen op de hierna te omschrijven wijze aan de bezoekers te "slijten"; nu de activiteit van deze lieden zich thans ook tot de toeristen, onder wie veel vreemdelingen, gaat uitstrekken, wordt deze aangelegenheid in een belangsfeer geplaatst, welke m.i. ~~~~~~~~~~~~ noopt tot het treffen van verder strekkende maatregelen dan een verscherpt politietoezicht, waarmede de speldjes- en strijkjesventers tot nu toe nog min of meer "in toom" konden worden gehouden.
De wijze, waarop bedoelde "venters" in de omschreven gevallen hun kost trachten te verdienen, heeft al zeer weinig overeenkomst met het normale karakter van venten; van op bona-fide wijze te koop aanbieden en verkoopen kan daarbij feitelijk niet worden gesproken.
Op de plaatsen, waar zij kans op "afzet" denken te hebben vangen zij de bezoekers als het ware op. Verder treden zij hier meer dan eens op zeer opdringerige wijze op, om hun vrijwel, althans voor de "koopers", waardelooze speldjes en strijkjes, tegen betaling, kwijt te geraken; vestigen hierbij den indruk, dat het aanbieden van deze artikelen verband houdt met de bijeenkomst, welke zal worden bezocht, of overbluffen het publiek met allerlei andere misleidende aanbevelingen, waardoor dit dikwijls denkt, ~~~~~~~~~~~ met een collecte voor een of ander liefdadig doel te doen te hebben en niet beseft, dat een gift voor speldje of strikje ten goede komt aan de(n) persoon, die zich zoo opdringt; tevens trachten zij elkander, wanneer meerdere "venters" bij één gelegenheid samenkomen, de "klanten" afhandig te maken, door zoo vlug mogelijk op hen af te schieten; spelden zoo mogelijk alvast ongevraagd, ook wel tegen den wil van hun "slachtoffers", een speldje of strikje op hun kledding eh belemmeren door dit alles, soms in ergerlijke mate, de bezoekers van diverse gelegenheden inhun vrijheid van beweging. * Toon en taal: Het document is geschreven in formeel-ambtelijke stijl, typerend voor de vooroorlogse politiecorrespondentie (gebruik van 'den', 'der', 'UEdelAchtbare'). De toon is bezorgd en veroordelend ten aanzien van de beschreven praktijken.
* Kern van de problematiek: Er is sprake van misbruik van ventvergunningen voor feestartikelen. In plaats van reguliere handel, hanteren deze "venters" agressieve en misleidende verkooptechnieken. Ze doen zich voor als collectanten voor goede doelen of suggereren een band met de officiële bijeenkomst waar zij zich ophouden.
* Handhavingsproblemen: De politiechef stelt vast dat regulier toezicht niet langer volstaat. De overlast richt zich specifiek op toeristen en buitenlanders, wat de reputatie van de stad Amsterdam schaadt.
* Fysieke intimidatie: Het rapport meldt dat verkopers ongevraagd artikelen op de kleding van passanten spelden en hen fysiek de weg belemmeren, wat als een ernstige inbreuk op de openbare orde wordt gezien. Dit document stamt uit juni 1938, een periode waarin Nederland nog kampte met de naweeën van de Grote Depressie. De betrokkenheid van het "Bureau tot bestrijding van de Werkloosheid" suggereert dat veel van deze venters mogelijk werklozen waren die op deze wijze een inkomen probeerden te vergaren.
De tekst weerspiegelt de groeiende bezorgdheid van de Amsterdamse autoriteiten over het toeristische imago van de stad. In de jaren '30 begon het toerisme een serieuzere economische factor te worden, en de aanwezigheid van opdringerige "bedel-venters" werd gezien als een grote hinder voor de gewenste uitstraling van Amsterdam als moderne, ordelijke stad. Kort na deze periode zou de Algemene Politieverordening (APV) op dergelijke punten vaak worden aangescherpt.