Getypte ambtelijke brief/nota.
Origineel
Getypte ambtelijke brief/nota. Ongedateerd op dit blad, maar de tekst verwijst naar stukken uit 1938. De Hoofdcommissaris van Politie te Amsterdam (w.g. Versteeg). De Burgemeester van Amsterdam. [Pagina begint midden in een zin]
meenen te kunnen optreden, in de Algemeene Politieverordening.
Ik denk hierbij aan opname in deze verordening, achter artikel 70, van een nieuw artikel (70 A) van ongeveer de volgende redactie:
"Onverminderd het bepaalde in artikel 63, onder a, en in de Vent-verordening, is het verboden, op of aan den openbaren weg strijkjes, vlaggetjes, speldjes of soortgelijke artikelen op hinderlijke of misleidende wijze te verkoopen of te koop of om niet aan te bieden".
Dit (nieuw) artikel zou dan meteen kunnen worden opgenomen in de 3 leden van artikel 10 - houdende nadere aanduiding van het begrip "openbare weg" in den zin der Algemeene Politieverordening, voor zoover betreft de toepassing van de daar genoemde bepalingen -, terwijl het ten aanzien van de strafbepaling ware op te nemen in het 2e lid van artikel 350, waar een vrij strakke straf, van geldboete van ten hoogste f 75,- of hechtenis van ten hoogste 12 dagen, is bedreigd tegen overtreding van voorschriften, welke in waardeering ongeveer met de voorgestelde verbodsbepaling kunnen worden gelijkgesteld; tevens zou i.c. de mogelijkheid ~~kxx~~ van verbeurdverklaring, door inlassching in -, c.q. aanvulling van het 5e lid van artikel 350, kunnen worden overwogen.
Toegegeven moet worden, dat het, ook na aanvulling van de Algemeene Politieverordening, in de aangegeven richting, niet steeds even eenvoudig zal zijn, overtreding van de nieuwe verbodsbepaling te constateeren; voorals bij voldoende bekendheid van een dergelijk voorschrift bij het publiek zal de preventieve werking hiervan echter, naar het mij toeschijnt, haar invloed ten goede moeten doen gelden.
Ten slotte zij hieraan nog toegevoegd, dat het straatdienst doende personeel van vorenbedoelde politie-sectie, naar aanleiding van de klacht van adressanten, nogmaals streng toezicht tegen onbehoorlijk optreden van strijkjes "venters" e.d. is opgedragen, terwijl adressanten, evenals het vorige jaar (vide de eerder aangehaalde stukken no. 6792/7815/9810 - 1938 S.) in overweging is gegeven mijn administratie tijdig van een komend bezoek van toeristen kennis te geven, opdat dezerzijds in voorkomende gevallen, speciaal toezicht terzake kan worden gehouden; verder is hun medegedeeld, dat hun adres, met het oog op mogelijke nadere regeling van de onderhavige aangelegenheid, naar het Raadhuis alhier, is doorgezonden.
De Hoofdcommissaris van Politie,
w.g. Versteeg.
Aan den Heer
Burgemeester van Amsterdam. In dit document doet de Amsterdamse Hoofdcommissaris van Politie een formeel voorstel aan de Burgemeester om de Algemeene Politieverordening (APV) aan te scherpen. De kern van het voorstel is de introductie van Artikel 70 A.
- Probleemstelling: Er is sprake van "hinderlijke of misleidende" verkoop van kleine artikelen zoals strijkjes (vaak liefdadigheidsspeldjes of lucifers), vlaggetjes en speldjes op de openbare weg. Dit suggereert een vorm van agressieve straathandel of bedelarij onder het mom van verkoop.
- Juridische inbedding: De Hoofdcommissaris stelt voor om de strafmaat te koppelen aan Artikel 350, wat een boete van maximaal 75 gulden of 12 dagen hechtenis mogelijk maakt. Ook wordt geopperd om verbeurdverklaring van de goederen als sanctie toe te voegen.
- Handhaving: De schrijver erkent dat het "constateeren" (bewijzen) van de overtreding lastig kan zijn, maar hij zet in op de preventieve werking van de wetgeving.
- Toerisme: Opvallend is de koppeling met toerisme. Er wordt gereageerd op klachten van "adressanten" (waarschijnlijk winkeliers of buurtbewoners) en er wordt gesproken over speciaal toezicht tijdens de komst van groepen toeristen. Het document dateert vermoedelijk uit het najaar van 1938 (gezien de referentie naar eerdere stukken uit dat jaar). De ondertekenaar "w.g. Versteeg" verwijst naar H.M.C. Bakels Versteeg, die in die periode Hoofdcommissaris van Politie in Amsterdam was (1934-1941).
In de jaren '30 was Amsterdam een stad die worstelde met de gevolgen van de economische crisis. Veel werklozen probeerden op straat wat geld te verdienen met de verkoop van kleine snuisterijen, wat vaak op het randje van bedelarij balanceerde. Tegelijkertijd wilde het stadsbestuur Amsterdam presenteren als een nette, veilige wereldstad voor toeristen. Deze brief illustreert de poging van de politie om via wetgeving meer grip te krijgen op de "onordelijkheid" op straat, een thema dat ook vandaag de dag in de Amsterdamse APV nog steeds een grote rol speelt bij de regulering van straatverkoop en overlast.