Ambtelijke correspondentie (doorslag of archiefkopie).
Origineel
Ambtelijke correspondentie (doorslag of archiefkopie). 12 maart 1940. De Directeur (vermoedelijk van een gemeentelijke dienst in Amsterdam, zoals de Dienst der Marktwezen). Den Heer L. Dingsdag, Blasiusstraat 120 I, Amsterdam-Oost. (Rechtsboven handgeschreven:)
Zie M. de Raer
(Linksboven getypt:)
VP/HG.
72/16/2 M. (handgeschreven:) Verzonden 12/3-'40.
(Rechts getypt:)
12 Maart 1940.
den Heer L.Dingsdag,
Blasiusstraat 120 I,
Amsterdam-Oost.
Wijk 11.
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 4 dezer bericht
ik U, dat U geen toestemming kan worden verleend tot venten,
indien het door U verschuldigde ventgeld niet wordt voldaan.
Indien U derhalve nog voor het loopende boekjaar van Uw vent-
vergunning gebruik wenscht te maken, zult U vóóraf het ver-
schuldigde dienen te voldoen.
De Directeur, Het document betreft een officiële aanzegging aan de heer L. Dingsdag betreffende zijn ventvergunning. De directeur deelt hem mede dat hij geen toestemming krijgt om zijn beroep als straatverkoper (venter) uit te oefenen zolang het openstaande 'ventgeld' (de verschuldigde leges voor de vergunning) niet is betaald. Er wordt expliciet gesteld dat betaling vooraf een voorwaarde is om in het lopende boekjaar van de vergunning gebruik te mogen maken. De brief is een antwoord op een schrijven van Dingsdag van 4 maart 1940. De handgeschreven notitie "Verzonden 12/3-'40" bevestigt dat dit de administratieve kopie is van de uitgaande post. De brief is gedateerd op 12 maart 1940, exact twee maanden voor de Duitse inval in Nederland. De locatie, Blasiusstraat 120 I in Amsterdam-Oost, lag in een buurt met een aanzienlijke Joodse populatie. Veel Amsterdamse Joden in die tijd waren voor hun inkomen afhankelijk van de straathandel.
Uit historisch onderzoek (zoals in het Joods Monument) blijkt dat diverse leden van de familie Dingsdag uit de Blasiusstraat slachtoffer zijn geworden van de Holocaust. Hoewel deze brief op het eerste gezicht een triviale, bureaucratische kwestie over een betalingsachterstand lijkt, illustreert het de precaire economische positie van kleine zelfstandigen in Amsterdam aan de vooravond van de bezetting. De aanduiding "Wijk 11" verwijst naar de toenmalige gemeentelijke wijkindeling voor de administratie van vergunningen. L. Dingsdag M. de Raer Marktwezen
Samenvatting
Het document betreft een officiële aanzegging aan de heer L. Dingsdag betreffende zijn ventvergunning. De directeur deelt hem mede dat hij geen toestemming krijgt om zijn beroep als straatverkoper (venter) uit te oefenen zolang het openstaande 'ventgeld' (de verschuldigde leges voor de vergunning) niet is betaald. Er wordt expliciet gesteld dat betaling vooraf een voorwaarde is om in het lopende boekjaar van de vergunning gebruik te mogen maken. De brief is een antwoord op een schrijven van Dingsdag van 4 maart 1940. De handgeschreven notitie "Verzonden 12/3-'40" bevestigt dat dit de administratieve kopie is van de uitgaande post.
Historische Context
De brief is gedateerd op 12 maart 1940, exact twee maanden voor de Duitse inval in Nederland. De locatie, Blasiusstraat 120 I in Amsterdam-Oost, lag in een buurt met een aanzienlijke Joodse populatie. Veel Amsterdamse Joden in die tijd waren voor hun inkomen afhankelijk van de straathandel.
Uit historisch onderzoek (zoals in het Joods Monument) blijkt dat diverse leden van de familie Dingsdag uit de Blasiusstraat slachtoffer zijn geworden van de Holocaust. Hoewel deze brief op het eerste gezicht een triviale, bureaucratische kwestie over een betalingsachterstand lijkt, illustreert het de precaire economische positie van kleine zelfstandigen in Amsterdam aan de vooravond van de bezetting. De aanduiding "Wijk 11" verwijst naar de toenmalige gemeentelijke wijkindeling voor de administratie van vergunningen.