Getypte zakelijke brief (mogelijk een doorslag of kopie).
Origineel
Getypte zakelijke brief (mogelijk een doorslag of kopie). 6 juli 1940. De Directeur (vermoedelijk van een gemeentelijke afdeling in Beverwijk). Den Heer L. de Leeuw, Hoflanderweg 74, Beverwijk. 72/64/2 M.
extra [handgeschreven]
D/G.
6 Juli 1940.
den Heer L.de Leeuw,
Hoflanderweg 74,
B e v e r w y k.
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 23 Juni jl. be-
richt ik U, dat de vernieuwing van Uw ventvergunning voor
het boekjaar 1940/1941 eerst behoeft te geschieden, zoodra
U weder in staat is het beroep van venter uit te oefenen.
Het verschuldigde ventgeld voor het boekjaar, loopende van
1 Juni 1940 tot en met 31 Mei 1941, bedraagt ƒ 4,-, verhoogd
met ƒ 1,- legeskosten, welk bedrag ook verschuldigd is, in-
dien van de vergunning niet gedurende het volle boekjaar
gebruik kan worden gemaakt.
De Directeur, De kern van deze brief betreft de verlenging van een "ventvergunning" (een vergunning voor straathandel) voor de heer L. de Leeuw. De brief is een reactie op een schrijven van De Leeuw van 23 juni 1940. De directeur laat weten dat de vergunning voor het lopende boekjaar pas vernieuwd hoeft te worden op het moment dat de ontvanger feitelijk weer in staat is zijn beroep als venter uit te oefenen. Dit impliceert dat de heer De Leeuw op dat moment door omstandigheden niet kon werken. De totale kosten voor de vergunning worden vastgesteld op 5 gulden (4 gulden ventgeld en 1 gulden legeskosten), waarbij expliciet wordt vermeld dat het volledige bedrag verschuldigd blijft, ook als de vergunning slechts een deel van het jaar wordt benut. De brief is gedateerd op 6 juli 1940, nog geen twee maanden na de Duitse inval in Nederland. Hoewel de brief een standaard administratieve toon heeft, is de historische context van groot belang. De ontvanger, Levi de Leeuw (geboren in 1883), was een Joodse inwoner van Beverwijk. Archiefonderzoek (o.a. via Joods Monument) wijst uit dat Levi de Leeuw op 21 mei 1943 in vernietigingskamp Sobibor is vermoord.
Dergelijke documenten uit de vroege bezettingsperiode zijn vaak onderdeel van dossiers die de administratieve weg naar de uitsluiting van Joodse burgers uit het economische en openbare leven vastleggen. Hoewel de reden voor zijn tijdelijke onvermogen om te venten hier niet wordt genoemd, werden Joodse ondernemers al snel na het begin van de bezetting geconfronteerd met beperkingen en later een totaal beroepsverbod. Dit document vormt daarmee een klein puzzelstukje in het bureaucratische proces dat voorafging aan de Holocaust in Nederland. L. de Leeuw
Samenvatting
De kern van deze brief betreft de verlenging van een "ventvergunning" (een vergunning voor straathandel) voor de heer L. de Leeuw. De brief is een reactie op een schrijven van De Leeuw van 23 juni 1940. De directeur laat weten dat de vergunning voor het lopende boekjaar pas vernieuwd hoeft te worden op het moment dat de ontvanger feitelijk weer in staat is zijn beroep als venter uit te oefenen. Dit impliceert dat de heer De Leeuw op dat moment door omstandigheden niet kon werken. De totale kosten voor de vergunning worden vastgesteld op 5 gulden (4 gulden ventgeld en 1 gulden legeskosten), waarbij expliciet wordt vermeld dat het volledige bedrag verschuldigd blijft, ook als de vergunning slechts een deel van het jaar wordt benut.
Historische Context
De brief is gedateerd op 6 juli 1940, nog geen twee maanden na de Duitse inval in Nederland. Hoewel de brief een standaard administratieve toon heeft, is de historische context van groot belang. De ontvanger, Levi de Leeuw (geboren in 1883), was een Joodse inwoner van Beverwijk. Archiefonderzoek (o.a. via Joods Monument) wijst uit dat Levi de Leeuw op 21 mei 1943 in vernietigingskamp Sobibor is vermoord.
Dergelijke documenten uit de vroege bezettingsperiode zijn vaak onderdeel van dossiers die de administratieve weg naar de uitsluiting van Joodse burgers uit het economische en openbare leven vastleggen. Hoewel de reden voor zijn tijdelijke onvermogen om te venten hier niet wordt genoemd, werden Joodse ondernemers al snel na het begin van de bezetting geconfronteerd met beperkingen en later een totaal beroepsverbod. Dit document vormt daarmee een klein puzzelstukje in het bureaucratische proces dat voorafging aan de Holocaust in Nederland.