Officiële brief/correspondentie.
Origineel
Officiële brief/correspondentie. 6 september 1940. De Wethouder voor de Levensmiddelen, Wasch- en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen, (getekend) F. VAN MEURS. De Kamer van Koophandel en Fabrieken, Amsterdam ("Alhier"). Afd. L.M.
No. 823 (1940).
1 bijlage
Amsterdam, 6 September 1940.
Toevallig kreeg ik het geheim verslag van Uw Kamer over 1939 in handen. Hierin las ik onder meer een passage op bladzijde 58 betreffende den straatverkoop van bloemen en over de concurrentie, die gevestigde bloemenwinkeliers hiervan ondervinden. Ik heb naar aanleiding hiervan het wenschelijk geacht bijgaand overzicht voor U te doen samenstellen. U ziet hieruit, dat het aantal straatventers met bloemen van 1 Januari 1935 tot 1 Maart 1940 daalde van 1145 tot 594; op 1 Juni 1940 was het aantal iets gestegen, tot 653, zoowel door invloed van het seizoen, alsmede omdat toen een nieuwe periode van jaarlijksche betaling aanving. (Het aantal standplaatshouders met bloemen daalde ook eenigszins).
Voorts blijkt uit den staat, dat het aantal venters slechts een nominaal aantal betreft. Immers een belangrijk aantal was in steun, waarbij de ventvergunning werd ingehouden. Afgezien nog van ziekte en soortgelijke belemmeringen konden dus op 1 Maart 1940 slechts 427 en op 1 Juni 1940 slechts 521 venters op straat met bloemen handel drijven.
Het zal U hieruit duidelijk zijn, dat van een "vrijwel ongeremde straatverkoop" geen sprake is.
Wat voorts het venten in de directe omgeving van bloemenwinkels betreft, wordt hierop door de Politie streng toegezien. Ten overvloede heb ik nog bij schrijven van 8 Augustus j.l. aan den Burgemeester verzocht door de Politie streng tegen de overtreders te doen optreden. Zoo zou bijvoorbeeld des Zondags, wanneer het venten geheel verboden is, de koopwaar in beslag kunnen worden genomen, terwijl de contrôle op weekdagen door personen in burger gekleed, zou moeten geschieden.
AB
De Wethouder voor de Levensmiddelen, Wasch- en
schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen,
(get.) F. VAN MEURS
de Kamer van Koophandel en Fabrieken.
A l h i e r . In deze brief reageert de Amsterdamse wethouder F. van Meurs op een vertrouwelijk jaarverslag van de Kamer van Koophandel. De kern van het geschil is de klacht van gevestigde bloemenwinkeliers over concurrentie door straatverkopers (venters).
De wethouder voert een feitelijke verdediging aan de hand van statistieken:
1. Daling van het aantal venters: Hij toont aan dat het aantal vergunde venters sinds 1935 bijna gehalveerd is.
2. Effectieve versus nominale aantallen: Hij nuanceert de cijfers door erop te wijzen dat veel vergunninghouders "in de steun" (werkloosheidsuitkering) zitten, waardoor hun vergunning feitelijk is ingehouden. Het aantal actieve venters ligt dus nog lager.
3. Handhaving: Hij spreekt de suggestie van "ongeremde verkoop" tegen en wijst op strikte politiecontrole, inclusief het voorstel voor inbeslagname op zondagen en de inzet van agenten in burgerkleding. De brief dateert van september 1940, enkele maanden na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. Hoewel de politieke situatie in het land drastisch was veranderd, gingen de reguliere gemeentelijke administratie en economische regulering in de eerste oorlogsjaren grotendeels door op de oude voet.
De discussie over straatverkoop versus middenstand was een terugkerend thema in stedelijk beleid. Tijdens de crisisjaren '30 waren veel mensen uit armoede gaan venten, wat leidde tot wrijving met winkeliers die hogere vaste lasten hadden. De verwijzing naar het "inhouden van de vergunning bij steuntrekkers" illustreert het strenge sociaal-economische beleid van die tijd: men mocht niet én een uitkering ontvangen én actief handel drijven. De brief geeft hiermee een inkijkje in de Amsterdamse arbeidsmarkt en de regulering van de publieke ruimte aan het begin van de bezettingsperiode. F. van Meurs L.M. Kamer van Koophandel Politie