Getypte ambtelijke brief/verslag (doorslag).
Origineel
Getypte ambtelijke brief/verslag (doorslag). 2 juni 1933. Onbekend (waarschijnlijk een directeur of afdelingshoofd van een gemeentelijke dienst). S/C [handgeschreven]
367 2 Juni 1933.
1 /
Naar aanleiding van de my onder No. 31/6 L.M. ter kennisne-
ming toegezonden kaart betreffende Uw onderhoud met J.van Stegeren,
ter zake van de automarkt Amstelveld, deel ik U mede, dat genoemde
J.van Stegeren zich te mynen kantore vervoegde voor een bespreking.
Deze bespreking leidde slechts tot een herhaling door den heer v.S.
van zyn voorstel, om de automarkt te mogen pachten, welk voorstel
uit den aard der zaak niet voor inwilliging vatbaar is.
In verband met die bespreking meen ik echter, het volgende
te moeten opmerken.
Van de automarkt werd tot heden nagenoeg geen gebruik ge-
maakt. Dit zou te wyten zyn aan het te hooge tarief, aan de vroegty-
dige beëindiging der markt en ten slotte aan de omstandigheid, dat de
markt slechts éénmaal per week wordt gehouden.
Na het weinig gunstig resultaat, dat de automarkt tot nog
toe heeft gehad, acht ik het gewenscht een proef te nemen, teneinde
te kunnen nagaan of deze markt reden van bestaan heeft, wanneer haar
ruimere kansen worden geboden.
Den Heer Wethouder
voor de
Levensmiddelen. De brief is een ambtelijke reactie op een gesprek tussen de Wethouder voor de Levensmiddelen en een zekere J. van Stegeren. Van Stegeren had het verzoek ingediend om de automarkt op het Amstelveld te mogen "pachten" (privaat exploiteren). De ambtenaar wijst dit verzoek resoluut af ("niet voor inwilliging vatbaar"), wat wijst op de voorkeur voor gemeentelijk beheer van openbare marktplaatsen.
Tegelijkertijd bevat het document een kritische evaluatie van het succes van de markt op dat moment. De auteur concludeert dat de automarkt flopt ("nagenoeg geen gebruik"). Hij wijst drie oorzaken aan:
1. Te hoge tarieven.
2. De markt stopt te vroeg op de dag.
3. De frequentie (slechts één keer per week) is te laag.
De brief eindigt met een beleidsadvies om een "proef" te doen met soepelere voorwaarden om de levensvatbaarheid van de markt te testen voordat men deze eventueel opheft. De brief dateert uit juni 1933, midden in de crisisjaren. Het Amstelveld in Amsterdam was van oudsher een marktplein (o.a. de plantenmarkt). In de vroege jaren '30 experimenteerde de gemeente met nieuwe vormen van marktgebruik, waaronder de verkoop van tweedehands auto's.
Het feit dat de Wethouder voor de Levensmiddelen de geadresseerde is, lijkt opmerkelijk voor een automarkt, maar in Amsterdam vielen alle marktzaken historisch gezien onder de Dienst van het Marktwezen, die vaak gecombineerd was met de portefeuille Levensmiddelen of Publieke Werken. De brief illustreert de vroege regeldruk rondom de opkomende automobiliteit en de worsteling van de overheid om publieke ruimtes commercieel rendabel te maken in een tijd van economische depressie.