Getypte brief/rapportage op briefpapier van een accountant.
Origineel
Getypte brief/rapportage op briefpapier van een accountant. 29 juli 1940. Jules Bromet, Accountant, Amsterdam. JULES BROMET
ACCOUNTANT
AMSTERDAM
-3-
VERLIES - en WINSTREKENING.
Departement van Defensie.
Op 10 Mei 1940 werden door de militaire overheid de navolgende hoeveelheden opgeeischt:
299 L. dieselolie à 6 ½ ct. | Fl. 19.44
378 L. benzine à 17 ½ ct. | " 66.15
| Fl. 85.59
Aangezien hiervoor geen enkel bewysstuk werd ontvangen, is deze vordering onmiddellyk ten laste van de verlies- en winstrekening gebracht.
De overige posten van de verlies-en winstrekening geven door hun omschryving de juiste bedoeling aan, zoodat naar ik meen hierop geen nadere toelichting noodig is.
Tot het verstrekken van nadere inlichtingen ben ik te allen tyde gaarne bereid.
Hoogachtend,
w.g. Jules Bromet
Amsterdam 29 Juli 1940. Deze pagina uit een accountantsverslag behandelt een specifieke financiële post onder de "Verlies- en Winstrekening" met betrekking tot het Departement van Defensie. Op 10 mei 1940, de dag van de Duitse inval in Nederland, heeft de Nederlandse militaire overheid brandstof (diesel en benzine) opgeëist.
Omdat de eigenaar van de goederen geen officieel bewijs van vordering (reçu) ontving tijdens de chaos van de eerste oorlogsdag, adviseert accountant Jules Bromet om dit bedrag van Fl. 85,59 direct als verlies te boeken. De brief is geschreven in de vroege fase van de bezetting (juli 1940), wanneer de administratieve afwikkeling van de meidagen in volle gang was. De afkorting "w.g." staat voor "was getekend", wat aangeeft dat dit een officieel afschrift is van het origineel. De datum 10 mei 1940 is cruciaal in de Nederlandse geschiedenis als het begin van de Tweede Wereldoorlog voor Nederland. Tijdens de mobilisatie en de daaropvolgende gevechten was het gebruikelijk dat het leger private eigendommen zoals voertuigen en brandstof vorderde voor de landsverdediging.
De accountant, Jules Bromet (1892-1944), was een bekende Joodse accountant in Amsterdam. Later in de oorlog was hij werkzaam voor de Joodsche Raad. Uit historische bronnen (zoals het Joods Monument) blijkt dat hij en zijn gezin de oorlog niet hebben overleefd; hij werd in 1944 in Auschwitz vermoord. Dit document is een tastbaar overblijfsel van zijn professionele werkzaamheden in de maanden vlak na de capitulatie, voordat de anti-Joodse maatregelen zijn werk en leven onmogelijk maakten.