Ambtelijke brief/concept (minuut) met handgeschreven correcties.
Origineel
Ambtelijke brief/concept (minuut) met handgeschreven correcties. 28 juli 1941. [Linksboven:]
Contrôle op maximumprijzen.
26/6 312
30/7/411 7/8
[Middenboven:]
W. b. M.
[Rechtsboven:]
A’dam, 28/7 1941
Hiermede heb ik de eer het volgende onder Uw aandacht te brengen.
Met mijn brief va 6 Mei jl. no 20/6/M rapporteerde ik U over het stelsel der maximumprijzen, dat werd toegepast op een aantal daarvoor in aanmerking komende tuinbouwproducten en de moeilijkheden, welke bij de contrôle van deze prijzen werden ondervonden. Met mijn brief van 13 Mei jl. no 502 L.M. 1941 heeft de Regeringscommissaris voor A’dam daarop een en ander ter kennis gebracht van den Directeur generaal voor de Voedselvoorziening. Voor zoover mij bekend is, heeft het Gemeentebestuur tot nu toe op bovenvermelden brief geen antwoord ontvangen; in ieder geval staat vast, dat in het stelsel der maximumprijzen voor groente geen verandering is gekomen.
[Marge links:] zie bijlage
Het komt mij gewenscht voor, gelet op het groote belang, dat de bevolking heeft bij een goede regeling van de onderhavige materie, dat deze zaak thans opnieuw onder de oogen wordt gezien, waarbij ik mij het volgende opmerk.
Teneinde een goede contrôle, zoowel door de contrôleerende ambtenaren als door het publiek, mogelijk te maken is het dringend noodzakelijk dat men komt tot het stelsel van vaste prijzen voor iedere groep van handelaren, een stelsel derhalve, dat ook is toegepast voor de zoutwatervisch en dat thans wordt voorbereid voor de zeevisch. Hieromtrent rapporteerde ik U laatstelijk op dezer onder no. M.
[Onderstaande passage is met een groot kruis doorgehaald:]
Ik acht het waarschijnlijk, dat ook andere Gemeentediensten in de gemeente, op ander gebied bemoeiingen hebben met de voor verschillende artikelen vastgestelde maximumprijzen; het komt mij derhalve gewenscht voor, dat hiernaar bijv. door het instellen van een gemeentelijke commissie, een onderzoek wordt ingesteld. Hierdoor immers wordt het mogelijk, dat het Gemeentebestuur...
[Marge linksonder bij de doorgehaalde passage:]
waarin ook de politie vertegenwoordigd zou moeten zijn, * Taal en Stijl: Het document is geschreven in de formele, ambtelijke stijl van de vroege 20e eeuw (bijv. "Hiermede heb ik de eer", "den Directeur generaal", "onder de oogen wordt gezien"). De spelling vertoont kenmerken van de overgangsperiode (bijv. "visch", "zoo").
* Inhoud: De schrijver uit zijn bezorgdheid over de ineffectiviteit van de huidige maximumprijzen voor groente. Er wordt verwezen naar eerdere correspondentie met de Regeringscommissaris en de Directeur-generaal voor de Voedselvoorziening, waarop geen bevredigend antwoord is gekomen.
* Kernvoorstel: De schrijver pleit voor de invoering van "vaste prijzen" per groep handelaren, in plaats van slechts "maximumprijzen". Dit zou de handhaving door zowel controleurs als het publiek (sociale controle) vergemakkelijken. Dit systeem was blijkbaar al succesvol voor zoutwatervis.
* Documentstatus: Het betreft een concept of 'minuut'. Dit is te zien aan de vele doorhalingen, invoegingen in de kantlijn en de grote paragraaf onderaan die volledig is weggekruist. De schrijver overwoog een gemeentelijke commissie (inclusief politie) in te stellen voor breed onderzoek naar prijsbeheersing, maar heeft dit deel van het voorstel uiteindelijk geschrapt of herzien. Dit document stamt uit juli 1941, ruim een jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. In deze periode nam de schaarste aan voedsel en goederen toe. De bezetter en het Nederlandse ambtelijke apparaat probeerden de distributie te beheersen via distributiebonnen en prijsbeheersing (de Prijsbeheersingsverordening).
Maximumprijzen waren bedoeld om inflatie en woekerprijzen op de zwarte markt tegen te gaan. Echter, in de praktijk leidde dit vaak tot "onder de toonbank" verkopen tegen hogere prijzen. De roep om vaste prijzen en betere controle (waarbij ook de rol van de politie wordt genoemd) illustreert de voortdurende strijd van de overheid tegen de zwarte handel en de zorg om de voedselvoorziening van de Amsterdamse bevolking op peil te houden. De genoemde "Regeringscommissaris voor Amsterdam" (Edward Voûte) was in deze periode de door de Duitsers aangestelde burgemeester.