Archiefdocument
Origineel
15 december 1939 Gemeentelijk Bureau voor Maatschappelijken Steun, Amsterdam De Heer Wethouder voor den Maatschappelijken Steun, Amsterdam No.17/2/9 M. AFSCHRIFT.
No.152 L.M.1939 9/11
No.268 M.S.1939
GEMEENTELIJK BUREAU VOOR Amsterdam, 15 December 1939.
MAATSCHAPPELIJKEN STEUN.
Lett.C. Aan den Heer Wethouder voor
No.258 den Maatschappelijken Steun,
Raadhuis,
Amsterdam-C.
In antwoord op Uw apostille No.268 M.S.'39 d.d. 14 November 1939 betreffende de standplaats-vergunningen van dertien kooplieden, die langer dan zes achtereenvolgende maanden hun vaste plaatse op de markten niet hebben bezet in verband met aan hen verleende ondersteuning, heb ik de eer U het volgende te berichten.
Dezerzijds bestaat bezwaar tegen het intrekken van de standplaatsvergunningen uitgereikt aan:
1) G.Lemke, Admiralengracht 88 II, (stamboekno.152.189). De man, 44 jaar oud, leeft gescheiden van zijn gezin, bewoont een kamer voor ƒ 2,- per week en geniet onderstand krachtens de Armenwet (valide maatschappelijk gesteund) tot een bedrag van ƒ 7,50 per week benevens ƒ 0,50 voor brandstoffen. Hij handelde voorheen in tafelzeil (wasdoek), welk artikel sterk in prijs is gestegen. Om zijn handel weer op te nemen, heeft betrokkene eenige sorteering noodig. Hij wil trachten zijn vroegere leveranciers ertoe te bewegen hem eenig goed in consignatie te geven. Als dit gelukt en deze Dienst hem eventueel met ƒ 20,- à ƒ 25,- handelsgeld zou helpen, wil hij gaarne zijn standplaats weer innemen. Te zijner tijd (na het overleg met de leveranciers) komt de man op deze aangelegenheid terug. In verband hiermede adviseer ik U zijn vergunning nog niet in te trekken.
2) W.L.van der Steen, Schimmelstraat 22 II, (stamboekno.135466).
Het gezin v.d.Steen bestaat uit man (30 jaar), vrouw en twee jonge kinderen. Het geniet onderstand krachtens de Armenwet (valide maatsch.gesteund) tot een bedrag van ƒ 13,20 per week en den brandstoffentoeslag, waarvan ƒ 5,- per week woninghuur wordt betaald. De man, bloemenventer van beroep, kan zeker tegen het voorjaar zijn standplaats weer innemen en trachten in eigen onderhoud te voorzien. Het komt mij niet gewenscht voor zijn vergunning in te trekken; dit jonge gezin zou dan op steun blijven aangewezen.
3) D.Overste, Graaf Florisstraat 31 II (stamboekno.167.664) is gehuwd en heeft geen kinderen. De man, 33 jaar oud, stond met lederwerk op de markt. Op het oogenblik ziet hij er geen kans toe iets te verdienen; tegen het voorjaar wil hij het graag weer met den handel probeeren. Hij geniet thans krachtens de Armenwet een ondersteuning van ƒ 11,75 per week en den brandstoffentoeslag (valide maatschappelijk gesteunde) bij een woninghuur van ƒ 5,25 per week. Dit document is een ambtelijk advies van het Amsterdamse Bureau voor Maatschappelijken Steun aan de wethouder. De kernvraag is of de marktvergunningen van kooplieden die al meer dan zes maanden hun plek niet hebben gebruikt, ingetrokken moeten worden. Deze kooplieden maken op dat moment gebruik van de "steun" (sociale bijstand).
De ambtenaar adviseert negatief over intrekking in drie specifieke gevallen:
* G. Lemke: Een gescheiden man die tafelzeil verkocht. De hoge inkoopprijzen belemmeren hem, maar hij probeert via consignatie en een klein krediet van de gemeente weer te starten.
* W.L. van der Steen: Een jonge bloemenventer met een gezin. Er wordt verwacht dat hij in het voorjaar weer zelfvoorzienend kan zijn. Intrekking van de vergunning zou hem permanent afhankelijk maken van de steun.
* D. Overste: Een lederwarenhandelaar die eveneens hoopt in het voorjaar de draad weer op te pakken.
De rode draad in het advies is preventie van langdurige armoede: door de vergunning aan te houden, behouden deze mannen een perspectief op werk en zelfstandigheid, wat de gemeente op termijn geld bespaart. Het document dateert van december 1939, de periode van de "Mobilisatie" vlak voor de Duitse inval in Nederland. De economische situatie was precair.
De tekst hanteert termen uit de Armenwet, de voorloper van de Algemene Bijstandswet. De term "valide maatschappelijk gesteund" duidde op mensen die fysiek in staat waren om te werken (valide), maar door werkloosheid afhankelijk waren van de overheid. Er werd destijds scherp toegezien op de kosten van de steun en de inspanningen van de gesteunden om weer aan het werk te komen.
Opvallend zijn de genoemde bedragen: een weekuitkering voor een gezin met twee kinderen bedroeg ƒ 13,20, waarvan bijna 40% (ƒ 5,-) naar de huur ging. De genoemde bedragen van ƒ 20,- tot ƒ 25,- als "handelsgeld" (startkapitaal) laten zien hoe klein de marges waren waarin deze kleine zelfstandigen opereerden. De stijgende prijzen van goederen (zoals het tafelzeil van Lemke) wijzen op de beginnende schaarste en inflatie door de oorlogsdreiging in Europa.