Archiefdocument
Origineel
22 april 1941. De Wethouder voor de Financiën (ondertekend door Rusting). GEMEENTE AMSTERDAM
AMSTERDAM, 22 April 1941.
AFD. Financiën.
No. 703/20.3 (1941)
BIJLAGEN
360 Lm. 1941
MEN WORDT VERZOCHT BIJ HET ANTWOORD NAUWKEURIG HET NUMMER EN DE AFDEELING VAN DIT SCHRIJVEN TE VERMELDEN.
N° 4 / 4 / 7 M.1941 26/4
Bij de samenstelling van de begrooting voor 1942, zal door afdeelingen, diensten en bedrijven rekening worden gehouden met de uitgaven wegens uitkeering aan het ontslagen personeel van Joodschen bloede. Het bedrag dier uitgaven kan echter op dit oogenblik nog niet door het Pensioenbureau worden opgegeven. Met het oog op de uniformiteit is het daarom gewenscht, vooralsnog geen ramingen hieromtrent in de begrootingen op te nemen. Als de juiste bedragen bekend zijn, zal door de afdeeling Financiën voor de verwerking daarvan in de begrooting, worden zorggedragen.
Met betrekking tot de voor inhouding en afdracht der Loonbelasting op te nemen posten, ware nog op te merken, dat het hiermede gemoeide bedrag op grond van de bestaande gegevens behoort te worden benaderd en niet P.M. in de begrooting moet worden vermeld.
Ki.
De Wethouder voor de Financiën,
[handtekening] Rusting
Aan Heeren Hoofden van
Afdeelingen, Diensten en Bedrijven.
Model G.A.
25.000-3-'40 Dit document is een ambtelijke circulair die technische instructies geeft voor de gemeentebegroting van het jaar 1942. De tekst is opgesteld in de toen gangbare zakelijke en juridische stijl.
De kern van het schrijven is tweeledig:
1. Behandeling van uitkeringen aan ontslagen Joods personeel: De afdelingen wordt verzocht zelf geen schattingen op te nemen voor de wachtgeld- of pensioenuitkeringen aan Joodse werknemers die uit hun functie zijn ontzet. Dit wordt centraal door de afdeling Financiën geregeld zodra het Pensioenbureau de cijfers gereed heeft.
2. Loonbelasting: Er wordt strikt op toegezien dat posten voor loonbelasting niet als "P.M." (Pro Memoria, oftewel zonder bedrag) worden opgevoerd, maar op basis van ramingen.
De toon is uiterst bureaucratisch en zakelijk, waarbij ingrijpende menselijke drama's (het massale ontslag op basis van ras) worden gereduceerd tot een begrotingspost die "uniformiteit" behoeft. Dit document stamt uit april 1941, bijna een jaar na de Duitse inval. Het vormt een kil bewijs van de administratieve verwerking van de Holocaust in Nederland.
In het najaar van 1940 voerden de Duitse bezetters de zogenaamde 'Ariërverklaring' in, gevolgd door Verordening 137/1940, die het verbood om Joden in overheidsdienst te hebben. Dit leidde tot het ontslag van alle Joodse ambtenaren bij de Gemeente Amsterdam (en elders in Nederland).
Hoewel deze mensen hun baan verloren op basis van discriminerende nazi-wetgeving, bleven er in de eerste fase nog administratieve verplichtingen bestaan rondom hun ontslaguitkeringen. Dit document laat zien hoe het Amsterdamse gemeentebestuur, onder de wethouder van Financiën (destijds de pro-Duitse E. Rusting), de uitvoering van deze uitsluitingsmaatregelen naadloos integreerde in de reguliere begrotingscyclus. Het is een schoolvoorbeeld van de 'banaliteit van het kwaad': het proces waarbij discriminatie en vervolging een routineus onderdeel worden van de ambtelijke administratie.