Officieel afschrift van een ambtelijke brief van de Gemeente Amsterdam.
Origineel
Officieel afschrift van een ambtelijke brief van de Gemeente Amsterdam. 18 juli 1941. De Wethouder voor de Financiën van de Gemeente Amsterdam. De Wethouder voor de Levensmiddelen van de Gemeente Amsterdam. [Linksboven, paars stempel met handgeschreven toevoeging:]
№ 4/4/12 11. 13. 41 23/7
[Midden boven:]
AFSCHRIFT
GEMEENTE AMSTERDAM
[Rechtsboven:]
AMSTERDAM, 18 Juli 1941.
AFD. Fin.
No. 703/20.3 (1941)
BIJLAGEN
[Rechtsboven, in kader:]
MEN WORDT VERZOCHT BIJ HET ANTWOORD NAUWKEURIG HET NUMMER EN DE AFDEELING VAN DIT SCHRIJVEN TE VERMELDEN.
Onder verwijzing naar mijn circulaire, d.d. 22 April j.l., No. 703/20.3 Fin, betreffende het opnemen in de bedrijfsbegrootingen voor 1942 van de uitkeeringen aan Joodsche ambtenaren, deel ik U hierbij mede, dat thans het bedrag dier uitkeeringen is berekend. Het bedraagt voor:
Marktwezen f. 7.695,-
t.w. Dr.v.d.Laan f. 2.829,-
Mr.v.Praag " 3.063,-
A.H.Drukker " 1.803,-
Aangezien de berekening dier uitkeeringen eerder is gereed gekomen dan aanvankelijk werd verwacht en het thans nog mogelijk is deze uitgaven in de bedrijfsbegrootingen te verwerken, doe ik U deze - voor zoover mogelijk - ingesloten toekomen met verzoek ze ten spoedigste te doen aanvullen en terugzenden.
Inlichtingen betreffende samenstelling enz. der uitkeeringstotalen kunnen telefonisch worden gevraagd aan het Pensioenbureau, toestel 491.
NdW.
C.S. Stadhuis
A’dam, 7-’41.
De Wethouder voor de Financiën,
get. RUBTIGE
[Handgeschreven aantekening links:]
retour gezonden 23/7 '41 [gevolgd door initialen]
Aan den Heer Wethouder voor de
Levensmiddelen
[Onderaan:]
Model G.A.
25.000-3-’40 Dit document is een administratieve verwerking van de gevolgen van de anti-Joodse maatregelen door de Duitse bezetter. In november 1940 werden alle Joodse ambtenaren door de bezetter geschorst en later ontslagen. De Nederlandse overheidsinstanties, waaronder de gemeente Amsterdam, werkten mee aan de uitvoering hiervan.
De brief toont aan hoe de uitsluiting van Joodse burgers een integraal onderdeel werd van de dagelijkse bureaucratie. Er wordt gesproken over "uitkeeringen aan Joodsche ambtenaren" (vermoedelijk wachtgeld of een pensioenvoorziening voor de ontslagen medewerkers) die moeten worden opgenomen in de begroting van 1942.
Opvallend is de zakelijke, bijna kille toon van het document. De namen van drie individuele ambtenaren van de afdeling Marktwezen worden genoemd met de specifieke bedragen die voor hen gereserveerd moeten worden: Dr. v.d. Laan, Mr. v. Praag en A.H. Drukker. Het document getuigt van de 'banaliteit van het kwaad': het systematisch beroven van iemands levensonderhoud wordt hier gereduceerd tot een eenvoudige begrotingspost. De context van dit document is de Tweede Wereldoorlog en de Jodenvervolging in Nederland. Kort na de inval voerden de nazi's de "Ariërverklaring" in, gevolgd door het ontslag van Joodse ambtenaren op 21 november 1940.
De genoemde personen konden worden geïdentificeerd in historische archieven. Zo was A.H. Drukker (Abraham Hartog Drukker) inderdaad werkzaam bij het Amsterdamse Marktwezen. Veel van deze ambtenaren die in 1941 nog op de loonlijst stonden voor uitkeringen, zouden later gedeporteerd worden. De "vlotte" administratieve afhandeling door de afdeling Financiën, zoals vermeld in de brief, faciliteerde de verdere isolatie van de Joodse bevolkingsgroep. Het document is een belangrijk bewijsstuk voor de wijze waarop de Amsterdamse gemeentelijke administratie bleef functioneren onder het juk van de bezetter en meewerkte aan discriminerende maatregelen.