Getypte ambtelijke brief/memorandum.
Origineel
Getypte ambtelijke brief/memorandum. 9 januari 1941. De Directeur (waarschijnlijk van een gemeentelijke dienst, gezien de adressering aan het Raadhuis). [Handgeschreven:] Verzonden 9/1
[Rechtsboven:]
den Heer Directeur der afdeeling
Arbeidszaken,
Raadhuis,
A l h i e r .
[Linksboven:]
8A/9/2 M
[Rechts:]
9 Januari 1941.
[Inhoud:]
Naar aanleiding van Uw circulaire d.d. 3 Januari jl.
no.32 Arb.1941 heb ik de eer U te berichten, dat sedert het
jaar 1934 geen ambtenaren of werklieden, als bedoeld in voren-
vermelde circulaire, by myn dienst zyn ontslagen.
[Rechtsonder:]
De Directeur, Het document is een korte, zakelijke ontkenning in reactie op een informatieverzoek (circulaire no. 32 Arb. 1941) van de afdeling Arbeidszaken. De kern van de boodschap is dat er bij de betreffende dienst sinds 1934 geen personeelsleden zijn ontslagen die vallen onder de specifieke categorie die in de circulaire werd genoemd.
Opvallend is de vermelding van het jaar 1934. Dit jaartal is historisch significant omdat het kort na de machtsovername van de nazi's in Duitsland ligt (1933). In de administratieve context van de bezetting werd dit jaartal vaak gebruikt als ijkpunt om politieke verschuivingen of eerdere zuiveringen in kaart te brengen.
De term "Alhier" geeft aan dat zowel de verzender als de ontvanger in hetzelfde gebouw (het Raadhuis) gevestigd waren, wat duidt op een interne correspondentie binnen een gemeentelijk apparaat (zeer waarschijnlijk Amsterdam, gezien de archiefstijl en ambtelijke structuur). De brief dateert van januari 1941, een cruciale fase in de Tweede Wereldoorlog in Nederland. De bezetter was op dat moment druk bezig het Nederlandse ambtenarenapparaat te screenen en te "zuiveren".
In de maanden voorafgaand aan deze brief (oktober/november 1940) was de beruchte 'Ariërverklaring' ingevoerd, gevolgd door het ontslag van Joodse ambtenaren. Circulaires zoals die waarnaar verwezen wordt (no. 32 Arb. 1941), dienden vaak om personeelsdossiers met terugwerkende kracht te controleren op politieke betrouwbaarheid of etnische achtergrond.
De vraag naar ontslagen sinds 1934 kan twee doelen hebben gehad:
1. Het opsporen van ambtenaren die destijds ontslagen waren vanwege nationaalsocialistische sympathieën (om hen te rehabiliteren).
2. Het identificeren van patronen in het personeelsbeleid die niet strookten met de nieuwe nationaalsocialistische orde.
De directeur meldt hier dat er in zijn dienst "geen" van dergelijke gevallen bekend zijn, wat in die tijd een standaard administratief antwoord kon zijn om aan de rapportageplicht te voldoen zonder belastende informatie te verstrekken, of simpelweg een feitelijke weergave van de situatie.
Samenvatting
Het document is een korte, zakelijke ontkenning in reactie op een informatieverzoek (circulaire no. 32 Arb. 1941) van de afdeling Arbeidszaken. De kern van de boodschap is dat er bij de betreffende dienst sinds 1934 geen personeelsleden zijn ontslagen die vallen onder de specifieke categorie die in de circulaire werd genoemd.
Opvallend is de vermelding van het jaar 1934. Dit jaartal is historisch significant omdat het kort na de machtsovername van de nazi's in Duitsland ligt (1933). In de administratieve context van de bezetting werd dit jaartal vaak gebruikt als ijkpunt om politieke verschuivingen of eerdere zuiveringen in kaart te brengen.
De term "Alhier" geeft aan dat zowel de verzender als de ontvanger in hetzelfde gebouw (het Raadhuis) gevestigd waren, wat duidt op een interne correspondentie binnen een gemeentelijk apparaat (zeer waarschijnlijk Amsterdam, gezien de archiefstijl en ambtelijke structuur).
Historische Context
De brief dateert van januari 1941, een cruciale fase in de Tweede Wereldoorlog in Nederland. De bezetter was op dat moment druk bezig het Nederlandse ambtenarenapparaat te screenen en te "zuiveren".
In de maanden voorafgaand aan deze brief (oktober/november 1940) was de beruchte 'Ariërverklaring' ingevoerd, gevolgd door het ontslag van Joodse ambtenaren. Circulaires zoals die waarnaar verwezen wordt (no. 32 Arb. 1941), dienden vaak om personeelsdossiers met terugwerkende kracht te controleren op politieke betrouwbaarheid of etnische achtergrond.
De vraag naar ontslagen sinds 1934 kan twee doelen hebben gehad:
1. Het opsporen van ambtenaren die destijds ontslagen waren vanwege nationaalsocialistische sympathieën (om hen te rehabiliteren).
2. Het identificeren van patronen in het personeelsbeleid die niet strookten met de nieuwe nationaalsocialistische orde.
De directeur meldt hier dat er in zijn dienst "geen" van dergelijke gevallen bekend zijn, wat in die tijd een standaard administratief antwoord kon zijn om aan de rapportageplicht te voldoen zonder belastende informatie te verstrekken, of simpelweg een feitelijke weergave van de situatie.