Archiefdocument
Origineel
28 februari [19]29 (gezien de context en vormgeving van het document duidt de '9' waarschijnlijk op 1929). Waarschijnlijk een ambtenaar of afdelingshoofd van de gemeente Amsterdam. 8 28 Februari 9
20/5/2 den Heer Wethouder voor de
Amsterdam. Levensmiddelen
tantenlyst wordt dezerzyds in het Bevolkingsregister geveri-
fieerd; daarmede wordt echter het hier bedoelde bedrog niet
ontdekt. Wanneer G. Broekman het tegenover het Marktwezen
steeds weet te doen voorkomen, dat hy (zyn iets oudere broer)
L. Broekman is, dan kan dit, zooals in casu ook plaatsvond,
gedurende tal van jaren voortduren. De eenige afdoende me-
thode om dergelyk bedrog - althans by de inschryving op de
sollicitantenlyst - te voorkomen, zou zyn, indien het Bevol-
kingsregister over de vinger-afdrukken van alle ingeschreve-
nen in dat register beschikte; door dan ook by de inschry-
ving voor de sollicitantenlyst een vinger-afdruk te nemen
zou het aannemen van den valschen naam worden ontdekt. Ech-
ter blyft dan nog de mogelykheid, dat op de markt tenslotte
een andere, dan de ingeschrevene gaat staan. Het is prac-
tisch welhaast niet doenlyk op een en ander zoodanige con-
trôle uit te oefenen, dat elk bedrog by voorbaat onmogelyk
wordt.
Repressief zou het bedrog misschien kunnen worden
gestraft, door toepassing van artikel 225 Wetboek van Straf-
recht mogelyk te maken. Daartoe zou moeten worden ingesteld,
dat by de aanvrage om inschryving op de sollicitantenlyst
door den aanvrager een formulier wordt ingevuld en ondertee-
kend, waarop hy naar waarheid moet vermelden: naam, voorna-
men, geboortedatum en -plaats, nationaliteit en woonplaats.
Indien dit formulier by Besluit van Burgemeester en Wethou-
ders wordt ingesteld is het een geschrift, waaruit eenig
recht kan ontstaan (namelyk het recht op een vaste plaats op
een markt) en kan degene, die het valschelyk opmaakt, ter-
zake van het misdryf van valschheid in geschrift worden ge-
straft, indien uit het gebruik eenig nadeel kan ontstaan.
Dit laatste is myns inziens het geval, omdat iemand, die ten
onrechte een vaste plaats verkrygt, daardoor andere gegadig-
den voor die plaats benadeelt. Ik moge aan Uw beter oordeel
overlaten, of het wenschelyk is, een dergelyk formulier in
te voeren: veel verwacht ik van deze repressieve bestryding
door middel van de Strafwet niet. Dit document is een ambtelijk advies over het bestrijden van identiteitsfraude op de Amsterdamse markten. De casus draait om een zekere G. Broekman die zich jarenlang heeft uitgegeven voor zijn broer L. Broekman om zo een marktplaats te behouden of te verkrijgen.
De schrijver analyseert twee mogelijke oplossingen:
1. Preventief: Het gebruik van vingerafdrukken. Dit wordt als de enige echt waterdichte methode gezien, maar is op dat moment onuitvoerbaar omdat het Bevolkingsregister deze gegevens niet centraal bijhoudt.
2. Repressief: Het strafbaar stellen van de fraude via artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht (valsheid in geschrifte). Om dit juridisch mogelijk te maken, stelt de schrijver voor om een officieel, door B&W bekrachtigd aanvraagformulier in te voeren.
De conclusie van de schrijver is sceptisch; hij betwijfelt of dreiging met strafrechtelijke vervolging dit soort fraude effectief zal stoppen. In de vroege 20e eeuw was de regulering van marktplaatsen in Amsterdam een bron van administratieve zorg. Een vaste marktplaats was een waardevol bezit dat brood op de plank bracht. Omdat de identificatiemiddelen in die tijd (voor de invoering van de algemene identiteitskaart in de Tweede Wereldoorlog) beperkt waren, was het relatief eenvoudig om de identiteit van een familielid aan te nemen, zeker als men fysiek op elkaar leek. Dit document illustreert de zoektocht van de overheid naar bureaucratische middelen (zoals gestandaardiseerde formulieren en juridische kaders) om controle te krijgen over de informele handelspraktijken en persoonsverificatie.