Archiefdocument
Origineel
20 augustus 1941 (met stempel van ontvangst/registratie op 25 augustus 1941) J. de Rooij $N^{o}\ 25/109/1$ M. 1941 $^{25}/8$
$1941$ (rechtsboven)
Amsterdam 20 Aug
Wel Ed. Geb. Heer
Beleefd verzoek ik u
Ed: mij vergunning te willen ver-
leenen dat mij moeder ~~of mijn~~
~~Broer~~ mij mag helpen met de
verkoop op de Alb Cuijp markt.
Gezien de moeilijke tijd vertrouw
ik dat u Ed zulks zal toestaan
Inmiddels HA.
J. de Rooij * Formele toon: De schrijver hanteert de destijds gebruikelijke beleefdheidsvormen ("Wel Ed. Geb. Heer", "u Ed" als afkorting voor Edelachtbare of Edelgestrenge). Dit getuigt van de formele hiërarchie tussen de burger en de instanties.
* Inhoudelijke correcties: De tekst bevat doorhalingen: "of mijn Broer" is weggestreept. De schrijver heeft blijkbaar besloten de aanvraag te beperken tot de hulp van de moeder. Dit kan te maken hebben met regelgeving omtrent arbeidsinzet of de beschikbaarheid van de broer.
* Motivatie: Het verzoek wordt bekrachtigd door een verwijzing naar de "moeilijke tijd". Dit is een duidelijke referentie aan de economische schaarste en de beperkingen als gevolg van de Duitse bezetting.
* Spelling: De schrijver gebruikt "mij moeder" in plaats van "mijn moeder", wat duidt op een informeler taalgebruik of een lager opleidingsniveau, ondanks de gepoogde formele aanhef. Dit document dateert uit de zomer van 1941, een periode waarin de Duitse bezetting van Nederland ruim een jaar onderweg was. De Albert Cuypmarkt was ook toen al een cruciaal economisch centrum in Amsterdam.
Tijdens de bezetting werd de regelgeving op de markten aanzienlijk aangescherpt. Marktkooplieden hadden voor vrijwel elke handeling of wijziging in hun bezetting expliciete toestemming nodig van de gemeente. De "moeilijke tijd" waar de schrijver over spreekt, verwijst naar de distributie, de schaarste aan goederen en de toenemende bureaucratische druk.
Opmerkelijk is dat kort na het schrijven van deze brief, in september 1941, de anti-Joodse maatregelen op de markten escaleerden (Joden werden verbannen van algemene markten). Hoewel de naam De Rooij niet direct op een Joodse achtergrond wijst, illustreert dit briefje hoe precair de positie van marktkooplieden was: voor de hulp van een familielid moest een officieel rekest worden ingediend.