Afschrift van een verzoekschrift (brief).
Origineel
Afschrift van een verzoekschrift (brief). 6 februari 1941. I. Blitz, Waterlooplein 57 I, Amsterdam. No.26/6/43 M.1941 12/2 AFSCHRIFT.
--------------------------------------------------------------------------------
No.54/1 L.M.1941.
Amsterdam, 6 Februari 1941.
I.Blitz,
Waterlooplein 57 I,
Amsterdam.
Aan de Edelachtbare Heeren
Burgemeester en Wethouders
van
Amsterdam.
Edelachtbare Heeren,
Ondergeteekende geeft met verschuldigde eerbied te
kennen dat hij teruggaaf verzoekt voor een half jaar marktgeld
zijnde f 12,- daar hij zijn plaats op de markt aan de Dapper-
straat niet meer kan betrekken, daar deze plaats opgezegd is door
het Marktwezen.
Hoogachtend,
w.g.I.Blitz. In dit document verzoekt de heer I. Blitz de gemeente Amsterdam om teruggaaf van 12 gulden aan marktgeld voor een half jaar. De reden voor dit verzoek is dat zijn vaste staanplaats op de Dappermarkt door de gemeentelijke dienst 'Marktwezen' is opgezegd, waardoor hij zijn beroep daar niet langer kan uitoefenen. De toon van de brief is uiterst formeel en eerbiedig, zoals gebruikelijk in die tijd voor correspondentie met de overheid. Het document is een 'afschrift', wat betekent dat dit een kopie is die bewaard werd in de gemeentelijke administratie. De datum van deze brief, 6 februari 1941, is van cruciaal historisch belang. Nederland was op dat moment bezet door nazi-Duitsland. De heer I. (waarschijnlijk Isaac) Blitz woonde op het Waterlooplein, in het hart van de toenmalige Jodenbuurt van Amsterdam.
Vanaf januari 1941 voerden de bezetter en het meewerkende Amsterdamse stadsbestuur steeds strengere anti-Joodse maatregelen in. Een van die maatregelen was het verbod voor Joodse marktkooplieden om nog langer op reguliere markten, zoals de Dappermarkt, te staan. De opzegging door het 'Marktwezen' waar de heer Blitz over spreekt, was geen incidenteel besluit, maar onderdeel van de stelselmatige uitsluiting van Joden uit het economische en openbare leven.
Slechts enkele weken na deze brief, op 25 en 26 februari 1941, zou de Februaristaking uitbreken als protest tegen de Jodenvervolging. Voor veel Joodse Amsterdammers, zoals de heer Blitz, was het verlies van hun marktplaats het begin van een proces dat uiteindelijk zou leiden tot deportatie en vernietiging. Dit ogenschijnlijk simpele administratieve briefje over 12 gulden is daarmee een aangrijpend bewijsstuk van de bureaucratische koude waarmee de Jodenvervolging in Amsterdam werd uitgevoerd. I. Blitz Gemeente Amsterdam Marktwezen