Archief 745
Inventaris 745-351
Pagina 142
Dossier 26
Jaar 1941
Stadsarchief

Handgeschreven verzoekschrift.

3 mei 1941. Van: J. Coppenhagen, Beukenweg 22, Amsterdam. Aan: Directie Marktwezen, Amsterdam.

Origineel

Handgeschreven verzoekschrift. 3 mei 1941. J. Coppenhagen, Beukenweg 22, Amsterdam. Directie Marktwezen, Amsterdam. [Linksboven stempels/kenmerken:]
No 27/34/1 M. 1941 7/5

[Rechtsboven:]
Amsterdam 3 Mei 1941

Directie Marktwezen
Amsterdam

Mijne Heeren

Beleefd verzoek ik U hiermede mij dispensatie te verleenen, voor de achterstallige en nog komende marktgelden en het toch mogelijk te maken, dat ik mijn vaste plaats in de Ten Katestraat behoud.

Het zal U bekend zijn, dat ik sinds maanden mijn plaats, door gebrek aan goederen niet kon innemen, terwijl ik het marktgeld geregeld betaald heb.

Mijn financiën laten dit echter niet meer toe en zal ik het zeer op prijs weten te stellen, indien U mij hierin tegemoet kan komen.

Uw bevestigend antwoord gaarne tegemoet ziende, waarvoor bij voorbaat mijn dank, teken ik

Hoogachtend
J. Coppenhagen
Beukenweg 22

[Kanttekening links in rode inkt:]
T.
M.i. is het niet
mogelijk dat
adressant zonder
betaling het
recht op zijn
plaats kan
behouden.
15/5-'41
[onleesbare paraaf]

[Rechtsboven de aanhef, handgeschreven:]
m. Hulp [?] De kern van dit document is een noodkreet van een kleine zelfstandige, J. Coppenhagen. Hij is een markthandelaar met een vaste standplaats op de Ten Katemarkt in Amsterdam-West. De brief onthult een vicieuze cirkel: door de oorlogsomstandigheden is er een nijpend "gebrek aan goederen", waardoor hij zijn kraam niet kan bemannen en dus geen inkomsten heeft. Desondanks heeft hij maandenlang trouw zijn stageld ("marktgeld") betaald om zijn recht op de standplaats niet te verliezen. Nu zijn geld op is, vraagt hij om uitstel of kwijtschelding (dispensatie).

De toon van de brief is uiterst beleefd en formeel ("Mijne Heeren", "Hoogachtend"), passend bij de verhouding tussen burger en overheid in die tijd.

De reactie van de ambtenaar in de kantlijn (in rode inkt) is echter onverbiddelijk en strikt bureaucratisch. Zonder in te gaan op de persoonlijke of economische noodsituatie van de aanvrager, wordt het verzoek kortweg afgewezen: zonder betaling kan het recht op de standplaats niet worden behouden. De ambtelijke molen maalt door, ongeacht de oorlogsellende. Dit schrijven dateert van mei 1941, een jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. De economische gevolgen van de oorlog werden toen voor iedereen pijnlijk merkbaar. Grondstoffen en goederen werden op grote schaal naar Duitsland afgevoerd, wat leidde tot de "gebrek aan goederen" waar Coppenhagen over spreekt.

Er is bovendien een belangrijke sociaal-historische laag: de afzender, J. Coppenhagen, woonde aan de Beukenweg 22. Dit adres lag in de Transvaalbuurt, een wijk die in 1941 een zeer grote Joodse populatie kende. De naam Coppenhagen is eveneens een veelvoorkomende Joodse naam in Amsterdam. In mei 1941 waren de anti-Joodse maatregelen van de bezetter al in volle gang; Joodse handelaren werden stelselmatig gedwarsboomd en uiteindelijk verbannen van openbare markten. Hoewel de afwijzing in de kantlijn strikt over het geld lijkt te gaan, past de weigering om enige coulance te tonen in het bredere patroon van de toenemende uitsluiting en verpaupering van de Joodse bevolking in Amsterdam tijdens de eerste oorlogsjaren. J. Coppenhagen Marktwezen

Samenvatting

De kern van dit document is een noodkreet van een kleine zelfstandige, J. Coppenhagen. Hij is een markthandelaar met een vaste standplaats op de Ten Katemarkt in Amsterdam-West. De brief onthult een vicieuze cirkel: door de oorlogsomstandigheden is er een nijpend "gebrek aan goederen", waardoor hij zijn kraam niet kan bemannen en dus geen inkomsten heeft. Desondanks heeft hij maandenlang trouw zijn stageld ("marktgeld") betaald om zijn recht op de standplaats niet te verliezen. Nu zijn geld op is, vraagt hij om uitstel of kwijtschelding (dispensatie).

De toon van de brief is uiterst beleefd en formeel ("Mijne Heeren", "Hoogachtend"), passend bij de verhouding tussen burger en overheid in die tijd.

De reactie van de ambtenaar in de kantlijn (in rode inkt) is echter onverbiddelijk en strikt bureaucratisch. Zonder in te gaan op de persoonlijke of economische noodsituatie van de aanvrager, wordt het verzoek kortweg afgewezen: zonder betaling kan het recht op de standplaats niet worden behouden. De ambtelijke molen maalt door, ongeacht de oorlogsellende.

Historische Context

Dit schrijven dateert van mei 1941, een jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. De economische gevolgen van de oorlog werden toen voor iedereen pijnlijk merkbaar. Grondstoffen en goederen werden op grote schaal naar Duitsland afgevoerd, wat leidde tot de "gebrek aan goederen" waar Coppenhagen over spreekt.

Er is bovendien een belangrijke sociaal-historische laag: de afzender, J. Coppenhagen, woonde aan de Beukenweg 22. Dit adres lag in de Transvaalbuurt, een wijk die in 1941 een zeer grote Joodse populatie kende. De naam Coppenhagen is eveneens een veelvoorkomende Joodse naam in Amsterdam. In mei 1941 waren de anti-Joodse maatregelen van de bezetter al in volle gang; Joodse handelaren werden stelselmatig gedwarsboomd en uiteindelijk verbannen van openbare markten. Hoewel de afwijzing in de kantlijn strikt over het geld lijkt te gaan, past de weigering om enige coulance te tonen in het bredere patroon van de toenemende uitsluiting en verpaupering van de Joodse bevolking in Amsterdam tijdens de eerste oorlogsjaren.

Genoemde Personen 1

Locaties

Ten Katemarkt

Producten

A.G.F. (Aardappelen): Aardappel A.G.F. (Aardappelen): Klei A.G.F. (Fruit): Appel A.G.F. (Fruit): Fruit A.G.F. (Groenten): Groente A.G.F. (Groenten): Sla Dieren: Kat Kruidenier (Droog): Meel Textiel & Kleding: Kleding Textiel & Kleding: Stof Textiel & Kleding: Textiel Vis & Zee: Aal Vis & Zee: Vis

Thema's

Duitsland/Oosten Jodenster/Maatregelen

Organisaties

Marktwezen

Gerelateerde Documenten 6